Start gerechtelijk jaar 2026-2027
Veel werk, maar eerst een potje jammeren

ANTWERPEN – Dinsdag 1 september 2026 – Het gerechtelijk jaar 2026-2027 is begonnen. Eerst mochten de topmagistraten van de hoven en rechtbanken nog eens uitleggen waar het scheef zit. Een potje jammeren, zullen sommigen zeggen. Tot men de cijfers bekijkt. In Antwerpen zat Annelies Verlinden op de eerste rij, op een ongemakkelijke stoel. Voor deze gelegenheid een toepasselijk meubelstuk.

Procureur-generaal Guido Vermeiren bracht bij de plechtige openingszitting van het hof van beroep een boodschap die zich eenvoudig laat samenvatten: we werken voort, we houden voorlopig stand, maar verwacht niet dat dit eeuwig blijft duren.

Meer en meer

  • Sinds corona is het aantal correctionele dossiers bij het Antwerpse hof van beroep met bijna vijftig procent gestegen. Ook in de eerste helft van 2026 bleef de stapel groeien. Het gaat bovendien in grote mate om omvangrijke en ingewikkelde dossiers van georganiseerde criminaliteit. Geen zaken die men tussen twee koppen koffie afhandelt.
  • Toch bedraagt de gemiddelde doorlooptijd nog altijd 215 dagen, gerekend vanaf de inschrijving van het hoger beroep tot het eindarrest. Achter dat gemiddelde zit volgens Vermeiren veel engagement. Maar engagement is geen personeelsformatie.
  • Zonder versterking van het parket-generaal én het hof van beroep kunnen die termijnen volgens hem niet behouden blijven. Het nieuwe Strafwetboek zal de werklast in het komende gerechtelijke jaar nog verzwaren. De wetgever heeft zijn huiswerk afgeleverd. Nu mag justitie het verwerken.
  • De magistraten van Antwerpen en Limburg hebben de voorbije jaren meermaals aan de alarmbel getrokken met hun ‘5 voor 12-acties’. Het is bij justitie kennelijk mogelijk om jarenlang op vijf voor twaalf te blijven staan. Dat zegt iets over het geduld van de mensen die er werken. Het stelt minder gerust over de klok.
  • Vermeiren erkent dat de boodschap werd gehoord. Hier en daar volgde zelfs een concrete verbetering. Het hof van beroep beschikt bijvoorbeeld over een nieuwe scanstraat. Dat is vooruitgang. Alleen zal ook een keurig ingescand dossier zichzelf niet behandelen.

  • Tegelijk maken aangekondigde hervormingen rond ziekte en werkongeschiktheid de magistratuur ongerust. Ze dreigen volgens de procureur-generaal een loopbaan bij justitie minder aantrekkelijk te maken. Men zoekt versterking, maar maakt zich zorgen over de voorwaarden waaronder die versterking moet komen werken. Het helpt de aanwerving vermoedelijk niet.


Nieuwe straffen, oude gebruiksaanwijzing

De kern van de openingsrede lag evenwel elders. Justitie heeft niet alleen mensen en middelen nodig. Ook de manier waarop strafzaken worden onderzocht en behandeld, moet worden vernieuwd.

  • Het onderscheid is belangrijk. Het strafrecht bepaalt welke feiten strafbaar zijn en welke straffen erop staan. Het strafprocesrecht regelt hoe men die feiten onderzoekt, hoe een zaak voor de rechter komt en welke spelregels daarbij gelden.
  • Het eerste is vernieuwd. Het tweede wacht nog op een samenhangende hervorming. Een nieuw Strafwetboek is mooi. Maar ook de weg naar het vonnis moet begaanbaar blijven.
  • Vermeiren vraagt zich dan ook af of onze strafprocedure nog aangepast is aan de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw. We zijn intussen ruim een kwarteeuw ver. De vraag komt dus niet overdreven vroeg.

Het kan niet blijven duren

Voor zijn mercuriale deed Vermeiren een beroep op emeritus procureur-generaal Yves Liégeois. Die werkte al mee aan de commissie voor de hervorming van het strafprocesrecht onder toenmalig minister van Justitie Koen Geens en is nog altijd hoofdcoördinator van het expertisenetwerk Strafprocedure.

  • Liégeois schreef een studie van 42 pagina’s. Zijn geduld met de politiek blijkt aanzienlijk korter.
  • Hij herinnert aan de regeringsverklaring van de regering-De Wever. Daarin werd een hervorming van het strafprocesrecht aangekondigd, in overleg met onderzoeksrechters en openbaar ministerie. Ook hun respectieve rollen zouden worden bekeken, met behoud van rechterlijk toezicht op dwangmaatregelen en ingrijpende onderzoeksmethoden. Een behoorlijk voornemen. Nu nog de uitvoering.
  • “Van deze grootse plannen hebben we tot op heden nog niets gezien”, schrijft Liégeois. Zijn oordeel over wat er wél gebeurt, laat weinig ruimte voor misverstanden: “Deze regering blijft verder koterijen bouwen zonder zich te willen bezinnen over een omwenteling die hoe dan ook gaande is.”
  • Ook in de juridische bouwkunst blijkt de Belgische aanbouwtraditie hardnekkig.

Wie leidt het onderzoek?

Achter die kritiek schuilt een wezenlijke discussie. Vandaag bestaat het klassieke onderscheid tussen het opsporingsonderzoek, onder leiding van het openbaar ministerie, en het gerechtelijk onderzoek, onder leiding van een onderzoeksrechter.

  • Volgens Vermeiren komt die tweedeling steeds meer onder druk te staan. Het Europees recht evolueert, de rechtspraak ontwikkelt zich en de rechten van de verschillende procesdeelnemers worden versterkt. De omgeving verandert. De procedure kan moeilijk doen alsof er niets gebeurt.
  • Dat vraagt een grondig debat over wie wat doet, wie toezicht houdt en hoe de rechten van de betrokkenen worden gewaarborgd. Vermeiren pleit ervoor dat debat zonder vooroordelen te voeren en een moderne strafprocedure uit te werken.

De boodschap bij het begin van dit gerechtelijke jaar is daarmee duidelijk. Een nieuw Strafwetboek alleen volstaat niet. Er moeten ook mensen zijn om ermee te werken en behoorlijke regels om het toe te passen.

Annelies Verlinden zat alvast op de eerste rij. Aan de zitplaats zal het niet gelegen hebben.