Uit onze vorige boeken
De laatste getuigen deden nog zo hun best voor seriemoordenaar Ronald Janssen

Stukje uit ons lijvig boek, vanaf pagina 333
(boek nog steeds verkrijgbaar)

‘…De getuigenis van de broer die hem ‘Onze Ronny’ noemt. Alweer valt het grote verschil op tussen de Ronald Janssen zoals de buitenwereld hem kent via de media en de Ronny Janssen zoals de familie en intimi hem kende.
‘Mijn broer is hier als een gierige vrek afgeschilderd. Ronny was iemand die zijn geld besteedde aan dingen die hij zelf belangrijk vond. De dingen die hij kocht moesten waardevol zijn. Aan stevige schoenen voor de kinderen kon hij wel geld uitgeven; die waren belangrijk, merkkleding niet. Hij hield van eenvoudige dingen en niet van luxe. Voor de feestdagen liet hij weten dat er geen dure cadeaus moesten zijn. Dat hij op kampeerweekend niet in een tent sliep, maar onder een zeil op de grond had niet te maken met gierigheid maar met zijn rugklachten.
Hij was een zorgzame huisvader en hij kon goed koken voor zijn kinderen. Hij zorgde ervoor dat zij altijd vers voedsel kregen, zoals gezonde slaatjes. Er zijn niet veel mannen die dat allemaal zelf kunnen klaarmaken. Het toont aan dat hij een goede huisvader is.’


Niemand in perfect

‘Mijn broer is hier uitgemaakt voor grote leugenaar. Er waren volgens de familie Appeltans geen problemen. Hoe komt het dan dat, toen wij in de pers lazen over de pesterijen, dat niet nieuw voor ons was? Toen we het hoorden, kwamen we niet uit de lucht gevallen. Hij had ons erover verteld. Maar vraag me geen details. Die ken ik niet. Wat Ronny gedaan heeft, had nooit mogen gebeuren. Daar moet hij voor gestraft worden. Dat er in zijn hoofd omging, dat weet niemand. Maar geen enkel mens is voor 100 procent perfect.’
Martine, de moeder van Milena, springt op van haar stoel en roept: ‘Uw goede broer heeft wel voorgoed ons geluk afgenomen.’

Zo zijn ze, alle moeders ter wereld
Na een korte pauze wordt de allerlaatste getuige de zaal binnengeleid. Het is Hilda Houben (1946), de moeder van Janssen. Van haar wordt verwacht dat zij haar zoon er ultiem kan toe brengen de volledige waarheid te spreken.
Deze getekende vrouw heeft haar beste kledij aangetrokken en ziet er verzorgd uit. Een sterke persoonlijkheid, dat merk je meteen als ze de eerste vraag van voorzitter Jordens beantwoordt met een wedervraag: ‘Moet ik nu echt spreken over de thuissituatie met mijn man, vroeger? Ik wens dat niet te doen. Wat heeft het te maken met de accidenten met de slachtoffers? Ik wil er het liefst niet over spreken. Ik wil die wond niet meer opengooien. U kunt de huisarts bellen, die er alles van weet. Ik kan zeggen dat hij zware diabetes had en daardoor kon omslaan van het ene op het andere moment.’
De voorzitter dringt aan: ‘U hebt de eed afgelegd en u bent verplicht op alle gestelde vragen te antwoorden.’

Als het moet, kan moeder Janssen uren aan het woord blijven: ‘Ronny leerde goed en speelde gewoon met zijn broer en zussen. Ik kan daar niets speciaals over zeggen. Vier opgroeiende kinderen hebben, dat is een gelukkige periode. Ronny probeerde zijn vader te ontwijken, want met hem kon je niet praten. Die man was ziek, heel agressief en depressief. Bijvoorbeeld als je het licht vergat uit te doen als je naar de kelder was gegaan, dan was het kot te klein. Nochtans vergat hij dat zelf ook weleens, maar dat was dan normaal.’

Heel lief, maar ook heel opvliegend
Of zij en de kinderen slaag kregen?
‘Dat weet ik niet meer. Ik kan zeggen dat de vrederechter het in 1995 erg genoeg vond om hem de toegang tot de woning te ontzeggen. Pas nadat hij uit huis was, heb ik me stilaan voelen openbloeien. Vroeger durfde ik niets doen of zeggen.’
Ze omschrijft haar zoon als ‘heel lief’ maar ook ‘heel opvliegend, zoals elke man’. Ze heeft via de media vernomen dat Ronny als tiener geprobeerd zou hebben zijn vader te doden door te knoeien met de insuline.
‘Ik heb daar nooit iets van geweten, en ik geloof het ook niet.’

Janssen staat op en begint in Kotems dialect een zo goed als onverstaanbare dialoog met zijn moeder. ‘Ma, ik had u gebeld over dat voorval. Ik was in de war, had ik gezegd. En dat ik pa niet heb willen vermoorden. Weet ge dat nog?’

Het duurt even voor de vrouw weet vanwaar de stem van haar zoon komt.
‘In de war, ja. Ge zei toen dat ge in de war waart en van alles verklaard hebt.’
De vrouw haalt een brief tevoorschijn en zet haar bril recht: ‘Dit zou ik willen voorlezen, meneer de voorzitter.’

In de zaal breekt opnieuw rumoer los bij de families van de slachtoffers. De magistraat trekt diepe rimpels in zijn voorhoofd. ‘Mevrouw, ik weet niet of het een goed idee is om nu iets voor te lezen….’ De getuige dringt aan en grijpt de microfoon om twee vellen papier, vol met grote letters, voor te lezen.

De pers maakt het nog erger
Haar jasje trekt ze uit om beter te kunnen lezen: ‘Beste, eerst en vooral wil ik mijn medeleven betuigen aan de families van de slachtoffers. […] Graag wil ik iets vertellen over mijn zoon. Hij is zeer gevoelig, heeft niemand pijn willen doen, zeker niemand willen vermoorden…’
Wie de tekst heeft geschreven, blijft een raadsel.
‘Het doet ons enorm veel pijn hoe de pers omgaat met de hele situatie. […] Hij had nog niet bekend en hij werd in de media al een monster en een seriemoordenaar genoemd. […] Ronny is een gevoelige jongen. Iemand die niemand pijn doet of zou vermoorden. Ronny heeft van thuis meegekregen dat meisjes ’s nachts beter niet alleen op straat ronddwalen. Wat is er gebeurd met Annick? Ik weet het niet. Hij heeft haar naar huis willen brengen. Wat is er misgelopen? Ik weet het niet. Ik weet dat hij Annick niet heeft willen vermoorden. Ronny zei mij: “Ma, ik wil geen meisjes pijn doen. Geloof me, want niemand gelooft me. Ik kan dan beter in de gevangenis zitten.” Omdat deze zaak niet grondig onderzocht is, zijn er nog twee slachtoffers bij gekomen, Shana en Kevin.’

‘Ronny moet geholpen worden’
De vrouw leest onverstoorbaar verder, ondanks het boegeroep: ‘Ik vind dat Ronny geholpen moet worden. Ik vraag u hem niet alleen in een cel te plaatsen zonder dat hij geholpen wordt. Hij is ziek. Hij heeft er spijt van, daar ben ik zeker van. […] Ik leef dag en nacht mee met de slachtoffers. Maar ik vind het zo erg dat er zo weinig rekening wordt gehouden met de familie van de dader. Want ook wij zijn slachtoffers.’

De families staan onthutst of woedend op de overloop, op de trappen of op het balkon. De meesten hebben de voorlezing niet of niet volledig gehoord, maar vinden het een schande. We horen niets dan collectieve verwensingen van de familie.

Weggeraakt langs de kelder
Moeder Janssen met haar twee dochters en zoon worden, zoals afgesproken, via de zijgangen en de kelder naar een andere vleugel van het gebouw gebracht, vanwaar ze naar hun auto kunnen. Op voorhand hebben ze de pers schriftelijk laten weten dat ze niet in beeld wensen te worden gebracht en zware schadeoostellingen zouden eisen als dat wel zou gebeuren.

Zo eindigt het getuigenverhoor van bijna tweehonderd mensen. Van de laatste getuige werd te veel verwacht, vooral door de media, die van moeder Janssen wekenlang een mysterieuze vrouw hebben gemaakt die het proces op het ultieme moment zou kunnen doen kantelen.

Haar doortocht bevestigt alleen de zekerheid dat een moeder altijd een moeder blijft. Het was zelfs pakkend haar te horen spreken over haar kleinkinderen, de twee kinderen van Janssen, die ze zo graag ziet.