Zomerserie 2025
Tony Bergmann in 1860: ‘Pro Justitia, vanwege de Wet en den Koning’

Antonius ‘Tony’  Bergmann (Lier, 29 juni 1835 – aldaar, 21 januari 1874) was een invloedrijke Vlaamse schrijver en advocaat, en een belangrijk figuur binnen de liberale en flamingantische beweging van zijn tijd.

Onze justitie zoals het was rond 1860 en onverbeterbaar beschreven wordt door de Lierse Tony Bergmann in het boek ‘Ernest Staas, advocaat’. Bergmann is dan zelf advocaat. Hij heeft zijn stage op een befaamd advocatenkantoor afgerond en is toe aan een eigen kantoor, hartje Bruxelles. Hij ontvangt er zijn eerste klant op een zondagvoormiddag. Het wordt zijn eerste pleidooi.

We lezen mee op pagina 194:
Bruxelles, in ’t jaar 1860

“… Juffrouw Plus had tegen Vrouw Stuyck geroepen:
“Ge zijt nen otter”.
Dat kon Vrouw Stuyck niet over haar hoofd laten gaan: nen otter!

Zij antwoordde op staanden voet:
“Zwijg, venijnig serpent, bezie u zelve.”

Daarop schoot Plus in volle gramschap,
wierp haar borduurraam omver,
liep de deur uit,
zette de armen in de zij,
stak haren scherpen neus onder de spitse kin van Vrouw Stuyck
en riep dat geheel de gebuurte het hoorde:
“Nog één woord en gij komt niet levend uit mijne handen, betooverder negemassij!”

Daar stonden meer dan vijftig menschen rond.

“… beide vrouwen vragen getuigen,
er worden processen-verbaal opgesteld
en de zaak komt voor het tribunaal.

Op eenen gedenkwaardige zondagmorgen
kreeg ik dus het bezoek van eene oude vrouw,
welke haar aangezicht onder de kap van eenen afgeganen katoenen mantel verborg,
en die zich met de woorden
“Och, mijneer!”
op den eersten stoel liet nedervallen.

Zij was begeleid van eene vriendin,
en vergezeld door eene vrouw van kennis,
die meekwam om de zaak te helpen uitleggen
en de buurvrouw
op dit plechtige oogenblik haars levens
bij te staan en te versterken.

“Och, mijnheer”, herhaalden de twee helpsters
en brachten de lijdende tot op eenen stoel recht voor mijne tafel.

“Zestig jaar oud geworden,” hernam het vrouwtje.
“Van ordentelijke ouders geboren zijn,
van kindsbeen af eerlijk en deugdelijk geweest zijn,
nooit of nooit bij de Heeren geroepen of boven hebben moeten komen,
en nu voor den tribunaal gedaagd…
ik die alleenlijk niet weet, wat een tribunaal is!
“Is ’t niet om van te sterven? Ja, ’t zal mijn leven kosten!”

En de mantelkap viel nog dieper
onder het wanhopig schudden van haar hoofd.

“Zij zal ervan sterven,” bevestigden de twee beschermsters.

“Zie, mijnheer, dat bracht een dienaar mij dezen morgen.
Ik dacht dat ik in de grond zonk, een dienaar in mijn poortje!”

“Een dienaar in ons poortje!” weerkaatste de dubbele echo.

Aan ’t hoofd van het briefje,
dat de oude mij toereikte,
stond de gekende vrouw Justitia
met den aartsvaderlijke blinddoek voor de oogen
en de geduchte weegschaal in de hand.

“Pro Justitia, vanwege de Wet en den Koning”, zo luidde het stuk.

“Wij, Commissaris van Politie,
ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank van enkele politie,
bevelen aan alle deurwaarders
of agenten der openbare macht
te dagvaarden de persoon van:

1° Celistina Plus, kantwerkster, oud 39 jaar,
2° Cornelia Stuyck, oud 60 jaar,

beticht van wederzijdse scheldwoorden
ende injurieën,
mitsgaders vonnis te hooren uitspreken overeenkomstig de wet.”

De traanvolle oogen van de arme Cornelia Stuyck,
oud 60 jaar,
staarden mij angstig aan,
terwijl ik dit modelletje van rechterlijke letterkunde overlas.

Mijn wetboek werd deftig opengeslagen,
met ernst doorbladerd.

“De zaak is niet erg,” bracht ik eindelijk met nadruk uit,
en “de straf niet streng,
en ik verzocht mijne eerste cliënte
zonder achterhouding of mistrouwen
de uitlegging te geven van haar belangrijk proces…”


  • Bergmann werd geboren in Lier als zoon van de latere liberale burgemeester George Bergmann. Al op jonge leeftijd toonde hij een grote voorliefde voor de Nederlandse letteren. Tijdens zijn studiejaren in Gent, waar hij rechten studeerde, was hij samen met onder andere Julius Vuylsteke actief lid van het romantisch-flamingante Taalminnend Studentengenootschap “’t Zal wel gaan”. Deze vereniging zette zich in voor de bevordering van de Nederlandse literatuur en de verdediging van de Nederlandse taal.
  • Na zijn rechtenstudie, die hij in Brussel afrondde als doctor in de rechten in 1858, vestigde Bergmann zich als advocaat in zijn geboortestad Lier. In datzelfde jaar trouwde hij met Eliza Van Acker.
  • Gedurende zijn relatief korte leven (hij stierf op 38-jarige leeftijd aan een borstkwaal) was hij een actieve deelnemer aan Nederlandse Taalcongressen en lid van diverse verenigingen, waaronder het Willemsfonds. Hij stichtte ook het weekblad De Lierenaar, een ideologisch gekleurd blad waarin hij zijn liberale en Vlaamsgezinde overtuigingen uiteenzette en kritische stukken publiceerde.
  • Bergmanns belangrijkste literaire werk is de roman Ernest Staas, advocaat (1874), die postuum verscheen en hem de vijfjaarlijkse Prijs voor Nederlandse Letterkunde opleverde. Ook zijn Geschiedenis der Stad Lier (1873) is een belangrijk werk dat tot op heden relevant blijft.
  • De schrijfstijl van Tony Bergmann wordt vaak omschreven als realisme of poëtisch realisme.</li>
  • Luchtigheid en speelsheid: Zijn stijl contrasteert met de vaak stroeve taal van zijn voorgangers, wat zijn werk toegankelijk en plezierig maakt om te lezen.
  • Kritische observatie en relativerende humor: Bergmann was een scherp waarnemer van de samenleving en menselijke gedragingen. Hij wist deze observaties met humor te relativeren, wat zijn teksten een levendige en soms satirische toon geeft. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in zijn humoristische beschrijvingen van personages en situaties.
  • Sociale betrokkenheid: Hoewel zijn werk realistisch is, is er ook een duidelijke sociale betrokkenheid aanwezig. In zijn bekendste werk, Ernest Staas, advocaat, schetst hij een beeld van het volkse leven en de juridische praktijk, waarbij hij oog heeft voor de maatschappelijke context.
  • Levendigheid en beeldrijkdom: Nicolaas Beets omschreef Bergmanns werk treffend als “waarheid en leven, geest en gevoel, fijnheid van tekening en losheid van trek, juistheid van opvatting en schilderachtigheid van uitdrukking“. Dit duidt op een stijl die zowel accuraat is in zijn observaties als rijk aan verbeelding en expressie.
  • Satire: In zijn journalistieke werk, met name in De Lierenaar, schuwde Bergmann de polemiek niet en maakte hij gebruik van scherpe satire om politieke en maatschappelijke onderwerpen aan de kaak te stellen. Ook in zijn literaire werk is een zekere satirische ondertoon te vinden, bijvoorbeeld in zijn “luimig verslag van de veldtocht der Franse vlooien tegen enkele weldoorvoede Vlaamse studenten”, dat een satire is op de Vlaamse historische roman.
  • Samenvattend kan gesteld worden dat Tony Bergmann een vernieuwende schrijver was die het realisme combineerde met humor en een diepe sociale betrokkenheid. Zijn bijdrage aan de Vlaamse literatuur lag niet alleen in zijn verhalen, maar ook in de frisse, toegankelijke en vaak satirische manier waarop hij deze presenteerde.