Vorige geschriften 44 – Piet Van Eeckhaut, uitvinder van de akte van verdediging


Fragmenten uit onze vorige boeken


(…)

Vanaf pagina 185

We schrijven november 1989.
Maurits Van Gele staat in Gent terecht voor oudermoord.
Als er geen verzachtende omstandigheden worden aanvaard kan hij tot de doodstraf (toen nog, gv) worden veroordeeld.

Het wordt de eerste grote opdracht als voorzitter van Boudewijn Desmet uit Harelbeke.
Openbaar aanklager is Frank Schins, een ambitieuze Antwerpenaar die zich in Drogen nestelde.
Iedereen weet dat hij geen voorstander is van rechtspraak met een volksjury.
Als advocaat wordt de jonge Gentse strafpleiter Daniël Van den Bossche verwacht.

Het proces krijgt pas de volle aandacht wanneer blijkt dat de socialistische politicus Piet Van Eeckhaut (1939), oud-schepen in Gent voor Onderwijs en Toerisme, als verdediger zal optreden voor de moedermoordenaar.
Er komt geen advocaat voor de dode vrouw.

De eerste dag al verrast Van Eeckhaut iedereen met zijn nieuwe look.
Hij laat een witte baard groeien en draagt het grijzende haar nu lang.
Hij heeft nu het uiterlijk van een van de Griekse wijsgeren naar wie hij in zijn pleidooien graag verwijst.

Hij pakt uit met een nieuwigheid.
Hij leest een zogeheten akte van verdediging voor bij de aanvang van het proces.
Daarin somt hij de goede kanten op van de beschuldigde.
‘Door de houding van de moeder zouden we artikel 71 over de onweerstaanbare drang en dus de vrijspraak kunnen pleiten. We zullen het niet doen, want onze cliënt wil zijn volle verantwoordelijkheid nemen.’

Het document is langer dan de akte van beschuldiging van aanklager Schins.
In 1989 is een akte van verdediging een rariteit in het strafrecht.
In het strafwetboek staat er niets over.
De voorzitter zou het kunnen verbieden.
Aan het instituut Van Eeckhaut wordt echter nooit iets verboden.

De volksjury is amper ingezworen of ze krijgt al een lawine van barokke welsprekendheid over zich heen.
Rood aanlopend en met wijde armgebaren heeft Piet Van Eeckhaut het over
‘de tien jaren van dronkenschap van de moeder die een domper zette op het geluk van het gezin’,
over ‘de wanorde in huis’
en ‘de geestelijke ontreddering bij de jonge beschuldigde, al van in de kinderjaren’.

Verder wordt royaal geciteerd uit brieven die Maurits Van Gele zijn advocaat bezorgde.
‘Ik wilde wel vooruit in het leven, maar nu ik er goed over nadenk, was mijn ganse leven ingesteld op het zoveel mogelijk ontvluchten van de situatie thuis.’
‘De laatste week was ik mijn levenslust kwijt. Ik reinigde zelfs mijn kledingstukken zelf, als het te lang duurde’.
‘Die bewuste vrijdag 28 april 1988 had ik me door de dag moeten slepen.’
Totaal ontmoedigd en neerslachtig kwam ik aan de autobox, waar de gedachte in mij opkwam er een einde aan te maken.’

Deze tactiek heeft men nooit eerder meegemaakt.
Dat is een pleidooi nog voor de beschuldigde één woord heeft gezegd.

Achter de pilaren luisteren tientallen advocaten en magistraten ongezien mee.
‘Hij doet het, hij durft het’, wordt gefluisterd.
‘Hij alleen mag dat’, sist iemand.

Aanklager Frank Schins reageert met een verbeten trek op de mond.
Hij beseft dat de verdediging mijlen voorsprong neemt.

Voorzitter Boudewijn Desmet heeft de tirade, die bijna een uur duurde, ondergaan.
Hoe zal hij nu de beschuldigde ondervragen?
Alles werd al gezegd.
Hij houdt het kort en sec en beperkt zich tot gerichte vragen.

(…)


Fragment uit ons boek Moord als Enige Oplossing


Lees meer in één van onze vorige boeken…


VORIGE FRAGMENTEN: