L00 – Jef Geeraerts (1969) met Gangreen – ‘Ik wil niet dat een man jou later verdriet aandoet’

Met al die beroering rond zwart en wit in de straten en op tv,
is het boek Gangreen – Black Venus,
van Jef Geeraerts (1930-2015)
opnieuw volop in de actualiteit en in de verkoop.

Dat is altijd zo.

Geen betere reclame voor een schrijver dan een boek dat verboden wordt, ditmaal wegens vies en racistisch.

Het omstreden boek waaraan 50 jaar geleden nog de Staatsprijs voor Proza 1969 werd toegekend,
werd nu zelfs uit de Canon van de Vlaamse literatuur gegooid.


Twijfelachtig of gewestbeheerder Jef Geeraerts het seksueel bezeten hoofdpersonage is uit zijn Congo-boeken.


Samen op één foto

We hebben ooit enkele weken dezelfde werktafel gedeeld voor een journalistieke opdracht en ik hem heb geregeld teruggezien. Jef is ons altijd bijgebleven als een veeleer verlegen man.


We hebben er nooit de seksuele krachtpatser uit zijn boeken in gezien of gehoord.


De Congo-boeken waaraan hij in 1962 was begonnen met “Ik ben maar een neger”
waren wellicht meer het product van de ingrepen van zijn producer
en Angèle Manteau als uitgeefster.


Hoe dan ook, Jef is van zwarte pornoboeken kunnen overstappen op het schrijven van thrillers volgestouwd met slechte karakters en corrupte magistraten.

Stuk voor stuk bestsellers.
Zijn naam klonk immers als een klok en vandaag nog altijd.


“Gangreen” werd vertaald in 10 talen
en kende een paar tientallen herdrukken.

Het imago van de koloniaal in Afrika werd er onherroepelijk door verminkt.

Jef heeft er in Drongen zijn villa van kunnen zetten,
zoals Jef Vermassen een kasteel in Lede.



Een fragment kiezen uit Gangreen 1 is niet eenvoudig.
Jef gebruikt immers zogoed als nooit een (.),
punt als leesteken.
Het boek is één krachtpatserige lange zin, met eindeloos veel komma’s.
Louis-Paul Boon deed dat ook.


… zoals altijd was het hoofdzakelijk een kwestie van spieren, zenuwen en geuren: Mbala was slank, sterk, lenig, speels, warm, geurig, ze had kleine handen en voeten, verrukkelijke oortjes, een gebogen Hamietische neus, prachtige ogen, prachtige haren, gezonde tanden, een koele mond, precieze bewegingen, onvermoeibaar, een volmaakt dier, de tekenen van de voortschrijdende aftakeling, vreselijk perspectief voor de dood, waren er nog niet, ha ik walg van vrouwen met cellulitis, hangende borsten, uitgezette buiken, zware uiteinden, afbrekende tanden, gezwollen voeten, die overal pijn hebben,
die vlug moe zijn, witverlies hebben, daar een geur van verrotting verspreiden,
bij Mbala voelde ik me goed, wat we ook deden, praten, eten, jagen, ons bezuipen,
om ’t even, alles ging zonder moeite, natuurlijk, ongeremd, heidens, vrij en de steeds hernieuwde dialectiek van verlangen-en-genot, bevrediging-en-rust, schonk ons telkens weer een synchrone flits verrukking, nooit had ik een vrouw gekend die een man zo intens het gevoel gaf dat hij een man was, iets dat ik nooit heb gekend bij de wettige echtgenote, deze arme zware vrouw die het normaal vond dat ik eenmaal per maand in haar kwam, een poosje schudde, me onmiddellijk daarna ging wassen en walgend van mezelf probeerde te slapen zonder alcohol, deze vertoning werd telkens opgevoerd als ik vijf of zes dagen per maand in de hoofdpost verbleef voor administratief werk en ik bijgevolg in haar bed moest slapen, het diende om haar periodiek in de status van echtgenote-en-moeder te herstellen en als ik soms met mijn dochtertje op de arm zat, streelde ik haar mooie huidje, kuste het met dichtgeknepen keel en dacht, mijn kleine lieveling, ik wil niet dat een man jou later ooit verdriet aandoet…”

Bt/GV/zondag 5 juli 2020