Zomerreeks 2025
Clem Schouwenaars (in 1985) over de volksjury

Wie heeft het recht om te daden van een ander te beoordelen? En deze daarvoor zelfs te doen veroordelen? Dit is de centrale vraag in de roman ‘De Leden van de Jury’ van Clem Schouwenaars.
Een man krijgt een dagvaarding om (misschien) te zetelen als jurylid voor het Hof van Assisen. Hij gaat vooraf op de plaats van de feiten al een en ander nakijken.
Een flardje uit het boek:
’s Avonds, na het eten, haalt Robrecht zijn map tevoorschijn en legt ze op de tafel in de eetkamer, waar hij meer plaats heeft dan in het salon. Zijn vrouw gaat tegenover hem zitten.
Hij zegt: ’Ik heb beloofd je een en ander uit te leggen, Jeanne, van wat ik heb geprobeerd na te gaan, maar denk eraan dat dit tussen ons moet blijven. De meeste inlichtingen heb ik gekregen via Roland, dat weet je, en waarschijnlijk zou het er voor hem niet zo mooi uitzien, als daar wat van uitlekte. Je vraagt je misschien af waarom ik van hem diensten geaccepteerd heb, die niet helemaal stroken met de normale gang van zaken. Daarop kan ik antwoorden: precies omdat ik niet akkoord ga met de normale gang van zaken. Je wordt opgeroepen om als jurylid te oordelen over een zaak, over een mens, en in het beste geval kun je je er nauwelijks iets van herinneren. Je komt dus onvoorbereid in zo’n rechtszaal, en bent totaal afhankelijk van wat je daar zult te horen krijgen, van wat de enen willen zeggen en de anderen niet, of van wat alle partijen eensgezind willen verdoezelen. Dat vind ik beschamend. En daarom vond ik het beroep, dat ik op Roland deed om aan inlichtingen te geraken, niet ongeoorloofd. Je weet dat er een redelijke kans bestaat dat ik zal aangeduid worden als voorzitter van de jury. Een reden te meer om niet ongewapend naar de Assisenzaal te trekken.’
-‘Ik vind helemaal niet dat je verkeerd gehandeld hebt. Men zou iedereen a priori zoveel mogelijk inlichtingen moeten verstrekken.’
-‘In sommige gevallen zou het Gerecht daar erg verveeld mee zitten.’
–‘Geloof je niet in de eerlijkheid van het Gerecht?’
-‘Er zijn redenen genoeg om argwanend te zijn. Precies daarom wil ik zelf een zo groot mogelijke objectiviteit aan de dag leggen. Al weet ik goed genoeg dat uiteindelijk de rechter beslist.’
-‘Twaalf juryleden vormen toch een behoorlijk tegengewicht.’
-‘Ja, als ze zwaar genoeg wegen.’
-‘Men kan niet van iedereen verlangen dat hij vooraf een onderzoek instelt, zoals jij dat gedaan hebt.’
-‘Dat is ook niet de bedoeling, integendeel.’

Clem Schouwenaars (1932-1993), veelzijdig Vlaams schrijver, dichter, en essayist, bekend om zijn introspectieve en vaak melancholische werken.
Geboren in Zichem, groeide Schouwenaars op in een landelijke omgeving die zijn vroege werken sterk beïnvloedde. Hij studeerde Germaanse filologie aan de Katholieke Universiteit Leuven, wat hem een diepgaande kennis van literatuur en taal bijbracht. Na zijn studies werkte hij enige tijd als leraar, maar al snel wijdde hij zich volledig aan het schrijverschap.
Naast romans en verhalen publiceerde hij talrijke dichtbundels en essays. Hij schreef ook recensies en columns voor diverse kranten en tijdschriften, waarin hij blijk gaf van een scherpe observatie en een kritische geest. Zijn werk werd bekroond met verschillende literaire prijzen, waaronder de Prijs van de Vlaamse Provincies voor poëzie.








































































































































































