Onze zomerserie 2025
Gerard Walschap en zijn meesterwerk Houtekiet in 1939

Zo begint zijn meesterwerk ‘Houtekeet’:

Het leven van Houtekiet onze stamvader begint met zijn ontmoeting van Lien, want van al wat daaraan voorafging weten wij niets. Wij kunnen slechts raden naar zijn ouders en herkomst. Zelden heeft men er naar durven vragen, nooit heeft hij er iets over gezegd.

Lien en de andere meid van boer Busschops, Liza, molken elke morgen en avond de koeien, ook de eigenzinnige die telkens door het water waadde, waar Deps sinds eeuwen een wildernis was vol kattestaart, brem, heikruid, bramen, struiken, ook wel eens een spar.

De oude knecht Mandus, die altijd door het water moest om de koe terug te halen, wenschte dat ze mocht het land uitlopen, verdrinken, zich de poten breken, een hemelzwerm op de snuit krijgen. Hij beweerde dat er ergens een stier moest zitten, vermits er niets te grazen was. Eindelijk vond hij een lange, dikke, smalle plank, legde die over het water en de melkster moest daar maar over, dat was Lien.

De plank wiegde diep door en wie wipte haar in ’t water als ze te vlug wilde gaan; maar veel erger was de angst bij valavond. Heel de wildernis leeft dan en ritselt. Als Lien er fijn op let, is het of de grond onder haar voeten meebeweegt. Zij vreest dat een mol onder haar rokken boven grond zal komen. Het zit daar ook vol otters, fluwijnen, fretten die stout zijn, want zij worden nooit door mensen verontrust; en als ge stil zit te melken! Soms springt Lien op.

Maar ze durft lange tijd niet eens omzien als Houtekiet haar in de rug nadert. Het is iets groots, ze denkt aan Mandus’ stier. Daar het een mens is moet het Houtekiet zijn, die sinds enige dagen weer op Deps zit, zegt men, en een gewoon mens komt daar niet. Maar allen geven die Houtekiet in hun gruwelvertelsels baard tot aan de ogen, haar tot aan de wenkbrauwen, alles pekzwart. Armen tot aan de knieën, gestalte slechts een meter vijftig, schouderbreedte wel een meter. Een monster. Hij loopt hardst op handen en voeten, zegt men; als men overal voortdurend grief mist, is hij in de buurt; hij bespringt als een weerwolf mens en beest en bijt ze de nek af; hij smijt, zegt men tot de kleinen, de kinderen hun tenen af; hij zingt prachtig, dat lokt een groot meisje aan, hij schoffeert en wurgt het; ’s nachts besluit hij de stropers, kraakt ze in zijn armen, hun ribben doen knap, knap, knap en gedaan is het.


  • Gerard Walschap (Londerzeel 1898-1989) begon zijn carrière als onderwijzer. Na zijn priesterstudie in Rome verliet hij de kerk en wijdde zich volledig aan de literatuur. Na zijn gedichten, brak Walschap door met zijn romans die braken met de traditionele katholieke literatuur. Krachtige, realistische stijl, psychologische diepgang en een kritische blik op de maatschappij. Zijn boeken, zoals ‘Houtekeet’ en ‘Zuster Verscheuren’, waren vaak controversieel vanwege de openhartige weergave van seksualiteit en sociale problemen. Walschap ontving talrijke literaire prijzen, waaronder de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Proza.
  • ‘Houtekeet’ (1939) is zijn meest bekende roman met het verhaal van de jonge Houtekeet, die in een arm en achtergesteld gezin opgroeit. Rauw en onverbloemd portret van het plattelandsleven en de armoede in het begin van de 20e eeuw. De strijd van een jongen om zijn eigen weg te vinden en zich te onttrekken aan zijn benarde situatie. De schrijfstijl is direct en krachtig met een alledaagse taal die de authenticiteit van de personages benadrukt. ‘Houtekeet’ wordt beschouwd als een klassieker van de Vlaamse literatuur en een belangrijk voorbeeld van het sociaal-realisme.