Zomerserie
Marnix Gijsen en zijn notities uit het rustoord in 1979

Uit ‘Rustoord’ uitgeverij Nijgh en Van Ditmar, vanaf pagina 38
Het meest anonieme mannetje onder de gasten van het Maison de Repos zette zich neer op de bank. ‘Mocht hij‘, vroeg hij beleefd. Ik vouwde mijn dagblad op. In de eetzaal zat hij altijd alleen aan tafel. Hij schoof binnen en buiten als een schaduw en nog voor de koffie verdween hij naar zijn kamer of elders. Hij was zo broos en zo mager dat ik hem voor mezelf ‘de kapstok’ had genoemd.
Hij had blijkbaar de zware operatie achter de rug, want geen chirurg kan er nog aan denken zijn scalpel in dit ratelende geraamte te zetten. We praatten over het weer, over de Dents du Midi die zichtbaar werden in hun glorie, over madame Blanche die toch zo streng was. Ik zei dat ik dat niet had opgemerkt. ‘Ik wel’, zei de bedrukte man.
‘Aan wat lijdt u?’ vroeg hij.
Dat was in dit milieu geen indiscretie, het was of hij een visitekaartje vroeg. ‘Leeftijd’, zei ik, ‘leeftijd of liever sterven-tijd. Ik weet dat ik nog enkele jaren te leven heb. Ik heb een schone toekomst achter de rug en een korte toekomst voor de boeg.’
Blijkbaar was hij voor galgenhumor niet vatbaar.
‘Is uw blaas in orde?’, vroeg hij.
Ik wist amper waar dit orgaan ligt en had er nooit last van gehad.(…)
Toen zei het mannetje alsof het een gewichtige verklaring was: ‘Ik lijd aan de blaas.’ Wat kan men daarop zeggen? Ik had werkelijk niets aan te bieden dan de artritis in mijn rechterschouder, een kwaal die met de eerste zonnestraal verdween. Ik was werkelijk een displaced person in dit huis.
‘Is u aan de prostaat geopereerd?’ vroeg het anonieme mannetje en weer kon ik negatief antwoorden. Zoveel chance kon hij niet verdragen: ‘Ik wel, zei hij’ en dat komt nog bij u.’
Ik gaf toe dat dit inderdaad kon en om hem te overdonderen voegde ik er een hele reeks ziekten bij die me nog te wachten stonden.
Dat maakte echter weinig of geen indruk op hem.
‘Watert u geregeld?’ vroeg hij.
Ik zei nerveus ‘ja’ want ik heb een hekel aan het vermelden van natuurlijke behoeften.
Straks zou die vent nog willen weten hoe het met mijn stoelgang zat.
(…)

Marnix Gijsen (1899-1984), pseudoniem van Jan-Albert Goris, was een veelzijdig Vlaams schrijver, diplomaat en kunstcriticus. Zijn literaire carrière omspande decennia. Zo was hij jarenlang de Stem uit Amerika op de radio.
- Bij Gijsens proza is er zijn heldere en beknopte taalgebruik, vaak met een zekere afstandelijkheid die ruimte laat voor de lezer om zelf conclusies te trekken. Hij vermijdt overbodige franje.
- Verder zijn ironie en cynisme. Gijsen observeerde de menselijke natuur met een scherp oog voor zwakheden en contradicties, die hij vaak op subtiele wijze wist te ontmaskeren. Dit cynisme werd echter vaak getemperd door een onderliggende menselijkheid.
- Daarnaast is de intellectuele diepgang kenmerkend voor zijn werk. Gijsen verwerkte filosofische, historische en culturele inzichten in zijn verhalen, wat zijn boeken een gelaagdheid gaf. Personages kampen vaak met existentiële vragen en morele dilemma’s.
- Tot slot is er zijn vermogen om psychologische portretten te schetsen. Zijn personages zijn zelden eendimensionaal; Gijsen wist hun innerlijke strijd en motieven op overtuigende wijze neer te zetten, vaak in de context van hun maatschappelijke positie en de tijdgeest.
- Al met al combineert Gijsen helderheid, ironie en diepgang tot een unieke stijl die hem een prominente plaats in de Nederlandse literatuurgeschiedenis heeft verzekerd.










































































































































































Luc Gillis
Hij was ook de stem uit Amerika, doctor Jan Albert Goris, elke zaterdagavond te horen op de toenmalige BRO, de Belgische Radio Omroep.
Ik ben als beginnend inspecteur nog vaak op inspectie geweest in het rusthuis waar Marnix Gijsen destijds (jaren ervoor ) had verbleven. In de buurt van de oude Bell in Antwerpen.
Een boek waard…