LIT 94 – Clem Schouwenaars (1962) – “Ik heb een moord op mijn geweten”


Mortsel 1932 – Lubbeek 1993
Journalist-Leraar-Schrijver-Dichter
Toneel-Vertaler-criticus
Schreef, zegt hij zelf, over de bekrompenheid van anderen
Tragische jeugd
Schopte tegen vele schenen, zowel katholieken als vrijzinnigen
Graag gezien bij uitgeverij Manteau
Schreef 1955-1993 ongelooflijk veel
De Gouden Jaren van de Vlaamse Schrijvers
Voltooide tijdens slepende ziekte “Het Loofhuttenfeest”
Fragment uit zijn indringend boek
“Dokter Clem Schouwenaars” (1962)
Manteau 1962
De bitterheid van een man staat in omgekeerde verhouding tot zijn onbegrip. Mijn vader pleegde zelfmoord nadat hij een duidelijke opvatting over de uiteindelijke onrechtvaardigheid verworven had. Mensen achten zich zalig omdat zij hun misdaden aan de macht van een duivel, en de vergiffenis ervan aan die van een god overlaten. Socrates dronk de beker, zonder bitterheid omdat hij geloofde aan een hiernamaals in gezelschap van goden en helden. Ik zit gelijkmoedig in mijn cel, daar ik het tenslotte àl te dwaas vind voort te leven na reeds lang te zijn omgebracht. Men verliest zijn walg door zich aan een geloof of huichelarij te vergooien, wat in de meeste gevallen op hetzelfde neerkomt. Het onrecht kan in zulke mate toeslaan dat het lachwekkend wordt uit overdaad. Ik heb patiënten zien lachen van pijn. Vrienden prijzen dan je ironie, de meesten echter spreken van waanzin, wat eveneens met elkaar kan overeenstemmen in zover waanzin geestig en ironie zinloos kan zijn. Deze psychologische subtiliteiten laat ik nochtans over aan de achtbare collega’s die mij veroordeelden, na mij evenwel eerst voor een peloton van even achtbare rechters gesleept te hebben teneinde mijn liquidatie te legaliseren. Ik heb ongetwijfeld een moord op mijn geweten. Niet om mij te verdedigen noch te rechtvaardigen – want dit is nutteloos – verkondig ik de mening dat er zowel goede als slechte moorden bedreven worden. Men heeft het begrip tot iets slechts veralgemeend, hetgeen verkeerd is, omdat veralgemenen altijd verkeerd is. Wanneer wij er in de schaduw van de gaskamer in slaagden een beschuit of een raap uit de kampkeuken te roven, was dat een goede diefstal, ofschoon niemand het stelen een goede daad durft noemen. Volgens een analoge zienswijze noem ik mijn moord goed. Ofschoon ik over meer tijd beschik dan mij lief is, voel ik er niet de minste lust toe de verschillende bedrijven van het proces te verhalen. Dat hebben de journalisten overigens al gedaan. Evenmin wil ik de argumenten herhalen die mijn verdediger aanvoerde nadat ik ze hem had ingefluisterd. Het wedervaren van mijn ras werd bovendien met veel meer verstand en geestdrift beschreven dan ik zou vermogen. Ik behoef bijgevolg het lot van mijn volk niet met mijn ondervindingen te illustreren. Daarbij hindert het mij geenszins dagenlang neer te liggen in volkomen geestelijke apathie. Zo wordt een mens. Ook uit tijdverdrijf schrijf ik dus niet. Welke waarde kan mijn geschiedenis dan hebben, wanneer zij voor mijzelf van geen belang is, tenzij als uiting van de ontgoocheling van een wezen dan tot leven gedoemd is? Want nu het schrijfgerei dan mijn nietsdoen toch verdreef en ik niettemin weet dat de executie mij een zachtere straf was geweest, ontwaakte in mij opnieuw de oorspronkelijke hoogmoed van de mens die, zelfs als levend begravene, nog de veerkracht vindt om te strijden voor zijn recht. De waarschijnlijkheid dat niemand hem lezen zal weerhoudt hem daarvan niet. Woede, liefde en zelfverdediging komen voort uit eenzelfde egocentrische aandrift die desnoods alle logica verkracht. Mocht ik er echter in slagen dit geschrift te publiceren, dan staat het iedereen vrij mij te verstoten of te omhelzen. Dit zij de laatste vraag van mijn leven: dat zij die deze woorden lezen naar hart en geweten mogen oordelen over mijn daden, de daden van dokter Simon Falbeck.








































































































































































