LIT 86 – Jos Ghysen (1977) – Ontmoeting met de fiscus

Jos Ghysen
Hasselt, 1 mei 1926
Hasselt, 4 juni 2014
Niet verwarren met politieker Jos Ghijsels, a.u.b.


Hoewel het meest gekend door zijn briljante loopbaan bij de radio (Limburg)
en daarna bij de tv (VTM)
met programma’s als
Het Schurend Scharnierke (1954-1994),
Te Bed of Niet Te Bed (1967-1990),
Rodenbachstraat 25 (1973-1976),
Zondag-Josdag (1992-1999),
is minder geweten dat hij tientallen boeken schreef,
o.a. romans, thrillers, vertalingen,
dat hij talloze malen lezingen gaf in het hele land,
dat hij te horen en te zien is op CD’s, DVD’s
en YouTube en dat hij zelfs kon zingen.


Deze ex-onderwijzer was,
samen met Louis Verbeeck
het beste van wat Limburg en Vlaanderen
inzake kleinkunst te bieden had.


Toen hij als 88-jarige begraven werd,
kwamen ze nog met 600 afscheid nemen.


Naar buiten was hij uitermate populair,
binnen de werksfeer was hij perfectionist,
veeleisend
en soms koleriek als de spanning te hoog opliep.


Een schitterend loopbaan geraakte in 2012 bespat
door een voorloper van de #MeToo-beweging
toen het verhaal opdook van een stormachtige,
zogeheten gewelddadige relatie
die hij zou gehad hebben met Ireen Houben
die zo veel jaren programma’s samen met hem maakte.


Twee generaties vergeten nooit zijn “Bij leven en welzijn”
waarmee hij ieder programma afsloot.


 


Een van de honderden cursiefjes van Jos Ghysen,
gevonden in Eerste Jos Ghysen Omnibus
Uitgave Heideland Hasselt 1977
In de geschreven versie maakt het (veel) minder indruk
dan wanneer je het Jos Ghysen hoort VOORLEZEN.

Hij had een bijzondere stem,
een perfecte dictie
en een sonoriteit die dwong tot luisteren.


Niemand zal van ons beweren dat wij tot sportieve type behoren.

Hebben wij trouwens ook nooit enige inspanning voor gedaan.

Sportief in deze zin dat wij ’s morgens
met dribbelpasjes door de tuin zouden lopen,
touwtje springen onder de kerseboom
en haasje-over wippen met onze buurman.
Geen sprake van.

Misschien zal zich dat in de loop der jaren wreken,
maar
zelfs het meest apocalyptische beeld van onze oude dag
is niet bij machte ons het tennisveld
of het voetbalterrein op te jagen.


Eén keer per jaar maken wij daarop een uitzondering.

Er is één sport die wij hartstochtelijk beoefenen.
Het fiscuswerpen.
Hebt u nooit van gehoord?
Fiscuswerpen?

Het is een adembenemende sport.
Ze wordt door twee mannen tegelijk beoefend,
één professioneel en één amateur.

De amateur zijn wij.
Er wordt dus eigenlijk al vanuit een on-sportief standpunt vertrokken
want
de een weet alles van fiscuswerpen
en de ander moet het met de jaren leren.

Er is wat ervaring voor nodig
om precies te weten hoe men
op de voordeligste manier
fiscuswerpen kan.

Trouwens,
het is een sport met eerder ingewikkelde regels.

En de inzet is alles of niets,
het gaat om wat je hebt.
Niet minder.

Je mag het niet verwarren met discuswerpen
want dat is iets helemaal anders.

Bij discuswerpen slinger jij zelf eerst de schijf weg
en dan moet je ze ook zelf weer ginder verder gaan oprapen.

En wie het verst gooit, krijgt de bloemetjes.

Maar bij fiscuswerpen zit het anders.

Het is de professioneel die eerst gooit.
Het is bijna altijd een slag die eerder brutaal aankomt.

Je bent
na een jaar
helemaal uit die sport
en ineens beukt er zo een fiscus bij je binnen.

Je kunt dan niet meteen zo maar die schijf weer opnemen
en terugslingeren,
neen,
want er moeten ieder jaar aardig wat formulieren ingevuld worden
eer je teruggooien mag.

Wie “fiscus” wil werpen,
moet zich helemaal blootgeven.

Je moet bij de bond laten weten of je getrouwd bent,
hoeveel kinderen je hebt,
of je toevallig stiekem commissaris bent bij Belgische of buitenlandse actiënvennootschappen,
of je aan intensieve groenteteelt doet
en
of je soms clandestien onroerende goederen bezit
die winsten in natura opleveren.

Je mag je daardoor niet laten ontmoedigen
want het is in deze vertrekbasis dat het succes van het spel schuilgaat.

Nu komt het erop aan:
hoe zet ik die fiscus op de ideale manier naar mijn hand?
Zit-ie goed stevig eer ik hem terugslinger?

Gooi je de fiscus zo maar ondoordacht terug naar je tegenstrever
– zo maar van “lijk-ie valt zal-ie ook wel aankomen” –
dan kun je eigenlijk beter niet teruggooien.
Want dat is ook voorzien in het spel.

Je moet je wel even indenken wat dat betekent:
een professioneel die een fiscus wegslingert
en die nooit meer wat ziet terugkomen…

Dat is op de duur dodend.

Je kunt dagen wachten
en weken ook,
maar wanneer er dan nog niets komt,
dan beginnen je zenuwen te prikken,
je weet niet wat er aan de hand is.

Heb je verkeerd gegooid?
Is je fiscus onderweg ergens blijven hangen?
Waar hij helemaal niet moest zijn?
Waarom gooit hij niet terug?

Men noemt dat psychologisch fiscuswerpen.

We zijn te sportief om daaraan mee te doen.
Wij gooien robuust terug.
Een heel ander soort schijf dan wijzelf opgepikt hebben.

De professioneel maakt geen enkele kans zijn schijf terug te herkennen,
zo hebben wij die bewerkt en verbeterd.

En dan is het weer de beurt aan de professioneel om die nieuwe schijf naar zijn hand te zetten.

Hij doet daar de wonderlijkste dingen mee
en dat kan ook niet anders,
want fiscuswerpen is de enige sport die niet aan de regels van de logica onderworpen is.

Het ligt er nu enkel aan hoe de fiscus weer teruggooit.

Wij hebben al partijen gewonnen met boni van vijftien frank
en ook eens één enkele keer van honderd dertig.

Verlies je de partij,
dan is het altijd duurder.

Dan kom je meteen al op een bedrag van
vijftienduizend,
vijfentwintigduizend,
veertigduizend.

Dat is normaal,
wat wil je tegen een professioneel beginnen?

Maar dat is meteen dan ook het adembenemende in deze sporttak.
Je weet dat je met een minimum aan kansen begint,
dat je iemand tegen hebt die in die sport grootgebracht is
en toch wil je ficuswerpen.

Wij kennen geen sport waar de spanning groter is.

Als je de schijf van verre ziet aankomen, snijdt je dat soms de adem af.

Wij kennen mensen die erbij moeten gaan zitten.
Die al zittend de fiscus opvangen,
met twee handen tegelijk
en met rillend gebaar.

En je hebt niet de steun van of de sympathie van de supporters.

Het is een eenzame sport,
heel alleen tussen mensen.

Het vergt het uiterste van behendigheid,
een concentratie waar biljarten flauwe kul bij is.

Voor het vormen van werkelijk geharde mensen voor de samenleving,
kennen wij echt geen betere sport dan fiscuswerpen.