Zomerserie 2025
Louis De Lentdecker: nooit werd een gerechtsjournalist zo veel gelezen als hij

Fragment uit zijn boek ‘De Rechters’
Davidsfonds 1993

(…) Misschien had zijn vader er beter aan gedaan hem een pak slaag te geven en het daarbij te laten. Maar hij hield niet van de harde methodes die in die dagen populair waren. Vader Spruyt probeerde het met discussie, overreding, orde en wet. Dat werd hem fataal. Sedert die tijd hebben experts in ons land gesteld dat moorden op ouders meestal uitgelokt worden door de moeders.

Zondag 8 november 1953. Moeder Spruyt was met haar dochter naar de mis. Vader en Oswald waren thuisgebleven. Vader zat aan tafel te schrijven. Hij moest cheques invullen. Oswald dacht de schijnbare rust in huis te kunnen gebruiken om vader ’tot betere gevoelens’ te brengen. Hij vroeg hem nogmaals niet naar de procureur te gaan en voor de laatste keer alles door de vingers te zien. De vader weigerde.

Toen sloeg Oswald met een ijzeren staaf op het hoofd en de schouders van zijn vader. Hij viel hem langs achteren aan zoals lafaards en snotneuzen wel meer plegen te doen. De vader viel kermend op de grond. Wild van angst om wat onvermijdelijk volgen zou vermits vader niet dood was, greep Oswald een mes en plofte dat zeven keer in het hart en de ribben van het slachtoffer. Hij nam het lijk bij de armen en sleurde het naar de kelder. Hij was bezig de bloedsporen weg te vegen toen moeder en zus van de kerk terugkwamen.

Ze waren nog in de hal van de woning toen Oswald op zijn moeder toesprong en haar herhaaldelijk op het hoofd sloeg. De vrouw viel en de kleine ging huilen. Spruyt greep het kind bij de keel, riep haar toe te zwijgen: anders zou hij haar wurgen. Zij moest naar haar kamer; hij zou wel spoedig bij haar komen. Het kind liep shikkend naar boven en Spruyt knielde naast zijn moeder. Volgens de akte van beschuldiging legde hij de ene hand onder haar hoofd ‘om een steunpunt te hebben’ en met de andere hand sneed hij haar verschillende keren de keel over opdat ze eindelijk zou zwijgen. Daarna trok hij het lichaam van de moeder naar de kelder en gooide het op het lijk van de vader.

Waarom Spruyt zijn tienjarige zusje spaarde, was nooit duidelijk. Ter zitting beweerde hij het niet te weten ‘alhoewel hij daar lang over nagedacht had’.

Zeker is dat hij alle bloedsporen wegveegde, zich waste en daarna het zondagse pak van zijn vader aantrok. Het moest allemaal weer netjes en keurig worden. Hij troostte zijn zus en zei dat ze op stap moesten tot de ouders hun problemen hadden opgelost. Met de auto van de vader reden ze naar het familiale buitengoed in Sint-Denijs Westrem. Rond de middag reden ze naar Sint-Martens-Latem om er wat te eten. Oswald wilde de nieuwsberichten op de radio horen. Hij was nieuwsgierig en ongerust: zou de justitie al iets weten? Volgens de waardin was hij rustig; hij speelde kaart met zijn zus.

Toen zijn zus vroeg om terug naar huis te keren zei Oswald dat hij vader zou opbellen om te vragen of het mocht. Hij telefoneerde in feite naar het De Kerckhove-instituut en vroeg om zijn zus daar te mogen onderbrengen. Tegen het kind zei hij: “Papa wil niet dat ik nog naar huis kom. Hij wil dat ik je naar het De Kerckhove-instituut rijd.” Tegen de directie van het instituut zei hij dat zijn ouders weg waren en dat hijzelf dringend naar het buitenland moest en dus niet voor zijn zus kon zorgen.

Zodra hij het meisje achtergelaten had in het instituut dook hij hals over kop onder in La Belle Chaumière met het vele geld dat hij thuis, na de misdaden, gestolen had. Met Nelly, de waardin en nog een andere meid werden ettelijke flessen champagne gedronken. Het werd een wild feest waarbij Oswald zich op zeker ogenblik met ‘zijn’ Nelly afzonderde in wat men ‘het salon’ noemde. Nooit hebben Oswald of de vrouw toegegeven ‘dat er iets ergs’ tussen hen was gebeurd. Over de moord kon desnoods worden gesproken, niet over intieme omgang.

Oswald vroeg de vrouw hem naar Frankrijk te vergezellen. Papa had hem een reis naar Parijs betaald, loog hij. Nelly had tientallen keren op de heuvels van ontelbare klantenbeloften van de wereld kunnen rondreizen. Ze bleef dus nuchter en vroeg meer champagne. Oswald had geen geld meer, verkocht zijn hond voor drie flessen en legde zich dan te slapen in de auto van vader. Buiten La Belle Chaumière.

De volgende ochtend reed hij naar Brussel en trachtte hij een postcheque van 58.000 fr. te verzilveren. Hij had de handtekening van zijn vader geïmiteerd maar de loketbediende vertrouwde de zaak niet en stuurde de jongeman wandelen. Boos verkocht hij de auto van zijn vader voor 19.000 fr. en ging weer in de armen van Nelly liggen.

Nadat hij 10.000 fr. opgedaan had, vroeg hij een taxi naar Parijs. De chauffeur kreeg argwaan, waarschuwde de douane en Spruyt werd nabij Rijsel opgepakt… (…)

Louis De Lentdecker (Dendermonde, 22 april 1924 – Jette, 10 oktober 1999) was een journalist die bekendstond om zijn kritische houding en scherpe pen. Van 1947 tot 1990 werkte hij als gerechtsverslaggever voor de krant De Standaard, waar hij zijn bijdragen signeerde als “LDL”.

Hij werd geboren in Dendermonde en verhuisde later naar Gent en daarna naar Brussel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij actief in het verzet en moest hij onderduiken in Wallonië.

In 1945 begon hij zijn journalistieke loopbaan bij de krant Het Volk en twee jaar later stapte hij over naar De Standaard en Het Nieuwsblad.

Na zijn pensioen in 1991 bleef hij schrijven voor bladen zoals TV Express en Dag Allemaal.

De Lentdecker was ook een schrijver.  Enkele van zijn werken zijn ‘Blanken en zwarten in de wilde Congo’ (1956), ‘Moord in de krant’ (1960) en ‘Zware jongens, lichte meisjes’ (1962).