Zomerserie 2025
Louis De Lentdecker al in 1987 over de volksjury


Louis De Lentdecker was tijdens W.O. II lid van het gewapend verzet en na de bevrijding een der eersten om de excessen van de repressie aan te klagen. Als journalist werd hij bekend om studies van onderwereld, was hij oorlogsverslaggever, sportreporter en rechtbankverslaggever. Hij was een der eerste medewerkers van de Vlaamse Televisie, en kreeg grote bekendheid door zijn medewerking aan ‘Beschuldigde Sta Op’. In deze verhalen over diverse processen die de auteur als journalist persoonlijk meemaakte of bestudeerde blijkt dat de justitie vaak een grote komedie is waar de beste acteurs het halen op waarheid en rechtvaardigheid, dat moed en lafheid voortdurend door elkaar gevlochten zijn, net als waarheid en leugen.

Enkele passages uit zijn boek ‘Beroemde Processen’
Uitgeverij Lannoo 1987

‘…Ondanks nieuwe bepalingen in het gerechtelijk wetboek (1968) is het jurysysteem in België weinig veranderd. Zoals vroeger wordt de jury derhalve verweten: haar onlogische, onrechtvaardige, gepassioneerde uitspraken, die — zegt men — onvermijdelijk zijn omdat de rechtspraak in assisen wordt toevertrouwd aan mensen zonder juridische vorming, mensen die onder invloed van de media en de openbare mening zelden de finesses begrijpen van de wet, van het recht en van de taal die juristen eensdeels, artsen en andere deskundigen anderdeels tijdens het onderzoek en het proces gebruiken, en voor wie het beoordelen van een medemens een zware last, een vervelende karwei is. (Alsof het voor de beroepsmagistraat een genoegen zou zijn).

Wat weten gewone volksmensen, kruideniers, arbeiders, bedienden, boeren en zelfs universitaire (niet-juristen) van voorbedachtheid, van kwaad opzet, van medeplichtigheid en mededaderschap, van schemertoestanden? De jury — zo zeggen steeds de tegenstanders van het systeem — is geen emanatie, geen vertegenwoordiging van het volk maar een karikatuur daarvan. Het volk is passie, het volk is vresatiel, is nu te sentimenteel dan te wreed of te wraakzuchtig. Een karikatuur van het volk kan onmogelijk sereen en waardig oordelen.
Dergelijke reacties over de jury hoort men geregeld bij schokkende vrijspraken of bij veroordelingen die zwaarder zijn dan verwacht of gehoopt. De tegenstanders van de jury begeven zich in alle kampen naargelang van de sympathie of de antipathie voor bepaalde verdachten, hun aanhang, hun politieke, sociale of filosofische betekenis.

Hoe de jury ook samengesteld is, zij heeft een onschatbare democratische betekenis. Het systeem blijft een spiegel van het volk waartoe wij behoren en van de natie waarin wij leven. Wie dan een misdaad pleegt, was fout niet zozeer tegen de wet maar wel tegenover de gemeenschap. In geval van moord, brandstichting, politiek misdrijf, persdelict enz. wordt geen schade toegebracht aan de wet of aan de justitie maar aan de gemeenschap of een of meer elementen van die gemeenschap. Het is mijns inziens democratisch, sociaal, juridisch en politiek verantwoord dat de gemeenschap zelf oordeelt in hoever zij schade leed en in welke mate iemand daarvoor schuldig of verantwoordelijk is.

Het is echter onmogelijk om de haverklap de gemeenschap samen te trommelen om te oordelen. Dit zou trouwens de aanleiding worden tot allerlei uitspattingen. Daarom is het redelijk en rechtvaardig dat twaalf burgers, door het lot aangeduid, komende uit diverse sociale, economische, politieke, professionele en intellectuele milieus samen een schuldvraag onderzoeken. Het is een fabel dat men academisch gevormd moet zijn en alles moet weten van wetten en juridische steekspelen.

(…)
Zowel aan de kant van het parket als bij de balie moet men leren het woord te voeren in het openbaar. Het is een kwestie van beschaving en van de rechten van het individu, vooral de rechten op een behoorlijke verdediging. Wat men van de zijde der verdediging in assisen hoort, getuigt de jongste jaren van onkunde, domheid, gebrek aan talent, ernst en inzet, van slordigheid en onverschilligheid. Het is geen bewijs van beroepsfierheid. Beschuldigden krijgen niet immer de verdediging waarop zij recht hebben, niet alleen de advocaten die (vaak pro deo aangestelde) raadsleden zouden moeten opbrengen, niet zelden partijdig zijn, maar ook omdat zij zich onvoldoende voorbereiden, te weinig het dossier kennen, alles te nonchalant of overdreven optimistisch aanpakken. Het is geen sinecure aan die verdediging dagen, weken, soms maanden te offeren zonder dat men zeker is daarvoor enige morele of financiële vergoeding te krijgen. De ervaring leert intussen dat, geconfronteerd met die enorme last en die zware taak, heel wat pleiters vandaag te weinig eerbied bewijzen voor wat een roeping zou moeten zijn meer dan een stiel, en te weinig studie besteden aan de diverse taken die zij onder handen krijgen.

Vandaag wordt een advocaat en een magistraat vaak gevraagd wáár zij hun sociaal leven leiden: dat sociale leven wordt dikwijls verward met mondaine verplichtingen. Ik blijf geloven dat de ware sterkte van een advocaat geen improvisatie is maar ontstaat in de stilte en de studie van een kabinet.

Een macht die men niet kan weerstaan
De assisenjury is kwetsbaar. Vooral door artikel 71. Wie in België zijn naaste opzettelijk, wettens en willens, met voorbedachtheid, veel geweld en gruwel naar de andere wereld helpt, kan er goed aan doen, bij een proces voor het Hof van Assisen, uit te pakken met artikel 71 van het strafwetboek.
Artikel 71, berg van barmhartigheid, toevluchtsoord voor alle wanhoop, verloren zaken en verloren gewaande mensen, redder in de hoogste nood, fontein van onverwachte zaligheid, passe-partout, loper, litanie van alle heilsoorden, opperste genade, is het oorkussen van de duivel dat voor een engelenzieltje kan zorgen. Voor handige pleiters en verdachten die ietwat aanleg hebben voor theater en komedie en die zonder blikken of blozen de sentimentele snaar openbaar kunnen betokkelen, is het een geschikt middel om van alle schuld te worden vrijgesproken, zelfs om met de aureool van het martelaarschap en het heroïsme triomfantelijk naar huis te worden gevoerd. Ik heb moordenaars gezien die dank zij artikel 71 toegejuicht werden alsof ze de Ronde van Frankrijk hadden gewonnen.

Artikel 71 kan alle gewetens sussen. Goed gehanteerd en gemanipuleerd kan het desnoods een geweten in slaap wiegen of vervangen. Het kan van de schijnheiligheid een deugd maken.
Artikel 71 zegt letterlijk: ‘Er is geen misdrijf, wanneer de beschuldigde of de beklaagde op het ogenblik van het feit in staat van krankzinnigheid was of wanneer hij gedrongen werd door een macht aan dewelke hij niet heeft kunnen weerstaan?
Wanneer is iemand ‘gedrongen door een macht aan dewelke hij niet heeft kunnen weerstaan’?

Geleerden, professoren, juristen (tot dewelke men ook mag rekenen advocaten-specialisten-strafrecht als zij in hun rol, male doen zijn, in wetenschappelijke studies, buiten het théâtre van de assisenzaal en de opwindende belangstelling van de media) en vooral vertegenwoordigers van het openbaar ministerie menen dat een individu slechts uitzonderlijk evolueert tegenover een macht die men niet kan weerstaan.

Traditioneel werd jarenlang het volgend voorbeeld gegeven: Na een schipbreuk zwalpen sedert dagen twee mensen op eenzelfde vlot. Plots gaat de ene de andere bedreigen, hetzij omdat het vlot de last van de twee niet meer dragen kan, hetzij gedreven door honger, hij er aan denkt zijn lotgenoot op te peuzelen. Wie in die bange ogenblikken zijn aanvaller over boord gooit, laat verdrinken of op een andere wijze doodt, wordt gedrongen door een macht die hij niet heeft kunnen weerstaan. Soms kan die dwang worden gezien als wettige zelfverdediging (art. 416).

Ingevolge die nuchtere visie wordt voor beroepsrechters bijna nooit gepleit over artikel 71. Men wil immers ernstig en netjes blijven. De advocaat die voor een beroepsmagistraat met artikel 71 uitpakt, wordt weggelachen of boos terechtgewezen.

Heel anders wordt het voor een Hof van Assisen waar de jury over de eventuele schuld moet oordelen. Voor een jury kan men artikel 71 in alle vormen en toonaarden kneden en wringen. (…)