Zomerserie 2025
Jef Geeraerts (in 1998) over de Procureur-Generaal en diens ‘ingeboren misprijzen voor de mensheid’


Fragment uit zijn boek ‘De PG’ (geschreven in 1998)
Uitgeverij Prometheus – Amsterdam
- Met PG wordt in deze erg realistische roman de procureur-generaal van Antwerpen gesitueerd.
- In het boek heet hij Albert Savelkoul en is hij aan het einde van een schitterende loopbaan
- Zijn vrouw is van oude Belgische adel en behoort tot het Opus Dei, evenals de zoon.
- ‘De PG’ is rechtstreeks geïnspireerd op de schandalen waarin de Belgische magistratuur eind jaren negentig verwikkeld was.
- In de inleiding van het boek beschrijft hij raak, zoals alleen Jef Geeraerts dat kan, twee hoofdpersonages die sommigen nog herkennen in onze gerechtsgebouwen.
‘…Terwijl de PG verdiept was in zijn dagelijks ochtendritueel
voor de badkamerspiegel,
werd zijn tevredenheid over de uiterst gunstige vooruitzichten
(hij was voor een hele week alleen thuis)
aanzienlijk verhoogd door de vaststelling dat hij er voor zijn vierenzestig jaar
helemaal niet slecht uitzag.
Eén meter zesentachtig, negentig kilo bloot op de weegschaal,
volgens Amerikaanse normen licht overweight,
maar dit was toe te schrijven aan ‘spieren van ijzer en staal die met de jaren onmerkbaar met vet dooraderd waren’.
Zijn dicht, gitzwart haarhad slechts sporadische spikkeltjes grijs aan de slapen,
zijn onderkaak was hoekig zonder dubbele kin,
zijn teint ‘basané’,
zijn neus vond hij klassiek Grieks,
zijn wenkbrauwen Saraceens
en zijn ingeboren misprijzen voor de mensheid in het algemeen
liet hij met voorliefde blijken uit een scheef glimlachje en een taxerende blik.
Op deze ochtend van dinsdag 25 mei 1999,
een stralende lentedag met middagtemperaturen van om en bij de 23 graden Celsius,
was echter van het laatste niets te merken.
Hij voelde zichzelf cool zoals de bekende cowboy uit de reclamewereld
die Marlboro-sigaretten rookt.
‘Alles is in hoofdzaak een kwestie van genen,’
beweerde zijn schoolkameraad Georges Weyler (de Jokke),
intussen een gerenommeerd internist,
die tien keer meer verdiende dan hijzelf,
maar die ook beestachtig hard moest werken.
‘Wat meer aan sport doen, Alberto,’
zei Jokke geregeld tijdens de veertiendaagse bijeenkomst van de Rotary Club,
waarbij hij speels zijn wijsvinger in de buik van de PG boorde.
Behalve paardrijden en jagen deed hij niet aan sport
en hij hield van eten in goede restaurants,
waar hij de reputatie had een wijnkenner te zijn.
Hij concentreerde zich op de wallen onder zijn ogen
die de laatste tijd paarse adertjes hadden.
Voorzichtig nam hij de huid tussen duim en wijsvinger
en trok eraan als een elastiekje.
Guy Staas, een andere schoolkameraad,
die plastisch chirurg was voor rijke dames,
had aangeboden hem tegen een vriendenprijsje
‘op te trekken’, maar de PG vond dat ronduit beschamend voor een echte man.
Waarom precies wist hij niet,
misschien was het wel vanwege zijn macho-overtuiging dat een man in het algemeen presentabel genoeg is, zodat hij dergelijke ingrepen niet nodig heeft.
Opnieuw, voor de tweede keer deze ochtend,
voelde hij die verdomde spanning in zijn blaas.
Zou het dàt zijn?
Hij onderdrukte een rilling van afschuw en dwong zichzelf er geen aandacht aan te schenken,
volgens het privé-adagium dat een probleem verdwijnt door het te negeren.
Hij bracht zijn gezicht dichter bij de spiegel, spande de lippen en inspecteerde zijn gebit,
waarvan het tandvlees al enige tijd als het ware begon te krimpen zodat het wortelweefsel bloot kwam. Gave tanden vond hij een must voor iemand van zijn status.
Bovendien vond hij dat een overgroot percentage van zijn landgenoten
erbij liep met een gebit dat meer tandsteen bevatte dan ivoor.
Voorlopig hoefde hij zich daar geen zorgen over te maken.
Hij had de sterke tanden van zijn moeder
die ooit op haar zeventigste haar eerste kies had laten vullen.
Met voldoening wierp hij een blik op zijn donkere behaarde torso,
nog altijd min of meer te vergelijken met een veertigjarige atleet.
Hij keek naar de elektronische weegschaal,
slaakte een zucht en besloot er niet op in te gaan.
Hij rekte zich en masseerde zijn nek die, zoals elke ochtend,
kraakte als hij hem bewoog.
Eén ding viel mee.
Zijn echtgenote, freule Marie-Amandine de Vreux d’Alembourg
was gisteren voor een week op reis vertrokken met adellijke vriendinnen
om Engelse tuinen te bezoeken, zodat hij ongegeneerd kon ontbijten,
een belangrijk facet van wat hij zijn ‘elementaire mannelijke Lebensraum’ noemde.
Hij kon dus ongeschoren, in kimono en op blote voeten in de keuken aan tafel gaan,
iets waar Maria Landowska, de Poolse meid, enorm plezier in had.
Amandine verscheen altijd, zelfs bij het ontbijt,
opgetut als voor een goûter aan het Hof, uiteraard in de eetkamer.
Ze at precieus, met de pink omhoog,
haar porseleinen schoteltje yoghurt uit
en keek dwars door alles heen,
dat wil zeggen door hemzelf plus Maria, tot wie ze zelden het woord richtte,
behalve om orders te geven in geradbraakt Vlaams, een taal die Maria amper verstond.
‘On ne dit jamais merci au personnel’ was een van de gevleugelde woorden
die haar familie al zeven generaties in ere hield.
Met haar echtgenoot sprak ze sinds de geboorte van haar jongste zoon
(september 1965) via briefjes met zakelijke mededelingen.
Tijdens officiële gelegenheden of feestjes waaraan hij niet kon ontsnappen,
spraken ze mekaar aan met ‘ma chère’ en ‘mon ami’,
zoals personages uit een negentiende-eeuwse Franse roman.
‘Bah!’ deed de PG.
Hij trok snel de grijze kimono aan met één Samoerai-karakter op de rug
(Het Korte Krachtige Leven Zonder Hart),
die zijn vriendin, zijn schat, zijn grote passie,
Louise hem vorig jaar cadeau had gedaan,
toen ze hem was nagereisd naar Kyoto, waar een congres
van specialisten in Angelsaksisch recht werd gehouden.
De PG had België vertegenwoordigd,
enerzijds door voorspraak van zijn schoonvader,
baron Pierre Philippe de Vreux d’Alembourg,
hoogleraar emeritus Constitutioneel Recht
aan de Katholieke Universiteit van Leuven,
ex-raadsheer bij het Hof van Cassatie
en auteur van juridische standaardwerken,
en anderzijds
omdat hij een van de weinige Belgische magistraten was die de graad van DJS
(Doctor in Juridical Sciences)
had behaald aan de rechtsfaculteit van Harvard University….’
Jef Geeraerts (Antwerpen 23 februari 1930 – Gent 11 mei 2015) was bij leven de best verkopende auteur bij uitgeverij Manteau. Zijn romans werden verfilmd, zijn thrillers gretig gelezen en geprezen om de research. Hij beschreef zonder nuance en met enige verbeelding erbij zijn periode in Belgisch-Congo 1954-1960 wat leidde tot zijn boeken Gangreen 1, Gangreen 2, enz.. Boeken die ondertussen min of meer verboden of verdwenen zijn omwille van wat vandaag een rascistische decor wordt genoemd. Daarna begon hij thrillers te schrijven, met als afsluiter ‘Coltmoorden’ in 2006. Zijn boek ‘De Procureur-Generaal’ is ons het meest bijgebleven door de herkenbare personages.
- Na zijn studie politieke en administratieve wetenschappen aan de Koloniale Hogeschool in Antwerpen, vertrok Geeraerts in 1954 naar Belgisch-Congo, waar hij zeven jaar als assistent-gewestbeheerder werkte.
- Deze periode had een diepgaande invloed op hem en vormde de basis voor een aanzienlijk deel van zijn vroege literaire werk, waaronder de controversiële “Gangreen”-reeks. Bij zijn terugkeer in de Westerse cultuur leidde dit tot een bewustzijnscrisis die hem aanzette tot schrijven.
- Geeraerts speelde een belangrijke rol in de doorbraak van het modernisme in Vlaanderen en leverde een grote bijdrage aan de Vlaamse Congoroman.
- Later werd hij de wegbereider van de moderne Vlaamse misdaadroman.
- Zijn debuutroman, “Ik ben maar een neger”, verscheen in 1962.
- Hij ontving diverse prijzen voor zijn werk, waaronder de Arkprijs van het Vrije Woord voor “De troglodieten” (1967), de Driejaarlijkse Staatsprijs voor verhalend Proza voor “Black Venus” (1969) en de Gouden Strop voor “De zaak Alzheimer” (1986).
- Jef Geeraerts’ schrijfstijl wordt gekenmerkt door journalistieke benadering en realisme: Geeraerts hechtte veel waarde aan het baseren van zijn verhalen op waargebeurde feiten of persoonlijke ervaringen. Hij zag zichzelf als een “journalist die de nodige zorg aan taal en stijl besteedt”, en deed veel research voor zijn boeken. Dit leidde vaak tot gedetailleerde, bijna documentaire-achtige beschrijvingen.
- Hij streefde ernaar de lezer vanaf de eerste zin bij het nekvel te grijpen en vast te houden tot het einde. Zijn thrillers zijn vaak spannend en flitsend.
- Vooral zijn vroege werk over Congo, zoals de “Gangreen”-reeks, stond bekend om het expliciete taalgebruik en de rauwe beschrijvingen van seksualiteit en geweld, wat destijds tot controverse leidde.
- Focus op fysiek en geestelijk verval en de dood: Deze thema’s zijn vaak aanwezig in zijn werk, wat een obsessie voor hem leek te zijn.
- Zijn werk werk is vaak maatschappelijk betrokken en tijdsgebonden. In zijn thrillers leverde hij bijvoorbeeld ook kritiek op de Belgische politiek en justitie.
- In zijn misdaadromans combineerde hij spannende plots met gedetailleerde beschrijvingen en technische informatie over bijvoorbeeld de diamanthandel.
- Door zijn verblijf in Congo en zijn reizen verwerkte hij vaak elementen uit andere culturen en talen, zoals het Lingala, in zijn boeken.
- In essentie was Geeraerts een schrijver die de lezer confronteerde met de rauwe werkelijkheid, vaak op een directe en onverbloemde manier, en die de grenzen tussen fictie en non-fictie verkende.

L18/24










































































































































































Len Augustyns (advocaat)
Heerlijk boek, maar (gelukkig) fictie,