Zomerserie 2025
Guido Gezelle (in 1858 en 1859) over zijn grote vriendschap voor enen afwezenden vriend

Eugene, leerling van Guido Gezelle (1830-1899) aan het seminarie in Roeselare en zanger aan het orgel, studeert af en wordt tot priester gewijd. Ze zullen mekaar nooit meer terugzien. De gevoelens blijven, hij brengt onder woorden wat in 1858 niet onder woorden mag gebracht worden.

IK MISSE U

Aan enen afwezenden vriend
Ik misse u waar ik henenvaar
of waar ik henenkeer:
den morgenstond, de dagen rond
en de avonden nog meer!

Wanneer alleen ik tranen ween
’t zij droevig het zij blij,
ik misse u, o ik misse u zo,
ik misse u neffens mij!

Zo mist, voorwaar, zijn wederpaar
geen veugelken in ’t net;
zo mist geen kind, hoe teer bemind,
zijn’ moeder noch zij het!

Nu zingt men wel en ’t orgelspel
en misse ik niet, o neen,
maar uwen zang mist de orgelklank
en misse ik al met een.

Ik misse u als er leugen vals
wil monkelen* zo gij loecht,
wanneer gij zacht mij verzen bracht
of verzen mededroegt.

Ik misse u nog… waar hoeft u toch,
waar hoeft u niet gezeid…
Ach! ‘k heb zo dikwijls heimelijk
God binnen u geleid!

Daar misse ik u, daar misse ik u
zo dikwijls, en, ik ween:
geen hope meer op wederkeer,
geen hope meer, o neen!

Geen hope, neen, geen hoop, hoe kleen,
die ’t leven overschiet’;
maar in den schoot der goede dood
en misse ik u toch niet?



Afbeelding van Peggy Choucair via Pixabay

DIEN AVOND EN DIE ROOZE

Guido Gezelle in 1858
(voor zijn leerling Eugene Van Oye)

‘k Heb menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten.
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zoo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u,
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
– wie zal dit kwaad genezen? –
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ‘t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
‘t en ware ik ‘t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u
dien avond – en – die rooze!