Zomerserie 2025
Louis Paul Boon (in 1971) – ‘…pastoor Daens in brand gestoken.’

Lukraak pagina 217 van het machtige epos “Pieter Daens” van 700 pagina’s, met als ondertitel “De strijd van de arbeiders van Aalst in de 19de eeuw tegen armoede en onrecht.”

Het boek werd verfilmd en werd een kaskraker met Jan Decleir in de hoofdrol als de sociaal bewogen priester Pieter Daens.

Het boek wordt vandaag niet meer gelezen en daarom weten weinig vandaag nog hoe het werkvolk geleden heeft in de strijd tegen het kapitaal.

Amsterdam – Uitgeverij Arbeiderspers Em. Querido’s Uitgeverij BV

“… ook aan de Nieuwstraatpoort (in Aalst, gv)
was er op zaterdagavond iets dat de katholieken sectie-vergadering noemden,
maar dat in werkelijkheid voor een gratis zuippartij mocht doorgaan.

Zo schandelijk dronken was men geworden, dat alle perken er overschreden raakten.

Er werd een stropop in de straat gebracht,
die men in priesterkleed hulde en een rode muts opzette.

Zij stelde pastoor Daens voor
en werd in het openbaar bespot en bespuwd,
door de modder van de goot getrokken
en uiteindelijk ‘gevonnist’:
men veroordeelde haar om in brand te worden gestoken.

Rond de opbrandende pastoor Daens danste men een vreugdedans.
Het was weliswaar symbolisch bedoeld,
maar leefde men nog een kleine honderd jaar vroeger,
het ‘verbranden’ zou afschuwelijke werkelijkheid zijn geworden.

Ik zette meteen mijn drukpersen in werking om het feit aan te klagen.
Maar het had me dit keer zo erg aangegrepen,
dat ik er echt niet de passende woorden voor vond.

Ik kon alleen maar uitroepen ‘dat het een schandelijke heiligschenderij was’.

Ook bisschop de Harlez had het erover in een brief aan de Justice Sociale:
“t Verwondert me niet dat de katholieke Bewaarders mijn raadgevingen verwerpen…
Want zeker zou ik het afraden van tegen een priester schandalige spotprenten rond te strooien,
en nog meer zou ik het afraden van het priesterkleed door de modder te sleuren
om het daarna onder duizenden verwensingen te verbranden.
Ja, dat en nog meerdere dingen zou ik afraden…”

(…)

Een ogenblik leek het er zelfs op, of men pastoor Daens niet alleen symbolisch wou verbranden, maar ook nog in werkelijkheid doodslaan.

Half november trokken de klerikalen in massa naar onze woonst op,
met de bedoeling het huis en de drukkerij tot op de grond af te breken.
Deze massa werd gevolgd door politie en gendarmen.

Maar als een lopend vuurtje ging het in de stad rond
‘dat men het huis van pastoor Daens wou stukslaan’
en haast de hele wijk Osbroeck,
waar het krioelde van daensisten,
kwam aanhollen.

En bang dat meteen hun nieuwe lokalen zouden verwoest geraken,
daagden ook uit de rode wijken der Varkensmarkt en der Hoge Vesten
de socialisten op.

Het werd geen gevecht,
het werd een kleine oorlog.

Op het hele eiland Chipka was geen vierkante meter
waar niet geslagen, geschopt of gestampt werd.

Toen werd er ook nog vanuit een open venster
in de Molenstraat
met een revolver geschoten.

Het bleek vanuit het lokaal der katholieke trompettersclub te komen
en toen stroomden alle daensisten en socialisten dààr heen
om er alle ruiten stuk te slaan.

Gendarmen te paard reden nu op de woedende menigte in.

Maar
op dit nauwe eiland kon men noch voor noch achterwaarts,

en waar de eerste rijen door de sabels der gendarmen werden geslagen,
raakten de achterste rijen de Dender ingeduwd…”

Louis Paul Boon
Aalst 1932 – Erembodegem 1979
Journalist-schrijver-kunstschilder
Al zijn boeken waren voltreffers
Enkele keren genoemd als Nobelprijswinnaar/

Louis Paul Boon (1912-1979) wordt algemeen erkend als een van de meest invloedrijke en vernieuwende figuren in de 20e-eeuwse Vlaamse literatuur. Zijn omvangrijke en diverse oeuvre, dat romans, poëzie, journalistiek en kritische essays omvat, heeft een diepgaande impact gehad op het literaire landschap van de Lage Landen.  

Boons werk kenmerkt zich door een rauw realisme, waarbij hij vaak de harde realiteit van het arbeidersleven en historische onderdrukking belicht, terwijl hij tegelijkertijd complexe psychologische toestanden en filosofische vraagstukken over utopie en de menselijke natuur verkent. Zijn verrassende verteltechnieken, gekoppeld aan een diepe toewijding aan socialistische idealen, verstevigden zijn reputatie als zowel een chroniqueur van zijn tijd als een literaire pionier.

In september 1939 werd Louis Paul Boon gemobiliseerd als soldaat en gestationeerd in Gooik en Tessenderlo. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in mei 1940 werd hij verplaatst naar Veldwezelt om het Albertkanaal te verdedigen. Echter, op de eerste dag van de invasie werd hij gevangengenomen als krijgsgevangene en uiteindelijk, na enkele weken in een gevangenenkamp en een zenuwinzinking, naar huis gestuurd. Deze korte maar intense periode van militaire dienst en gevangenschap liet een diepe indruk op hem achter.  

Nadat hij was vrijgelaten, kon Boon geen stabiel werk vinden. Deze gedwongen werkloosheid dreef hem ertoe zich serieuzer toe te leggen op het schrijven van romans. Zijn ervaringen tijdens de oorlog en, cruciaal, de daaropvolgende bezetting van België, werden het centrale onderwerp van zijn vierde boek ‘Mijn kleine oorlog’.