Happy, Literatuur

LIT 36 – Felix Timmermans (1935) – “… met de kop vol begeerlijke gedachten.”

22 oktober 2017  

Wortel boek GV Timmermans

Nieuwe boeken lees ik niet veel
en ik weet dat het jammer is,
maar helaas.


Steeds vaker herlees ik
uit de boekenkast van mijn vader
toen mensen
nog geen buitenlandse schrijvers lazen
of druksels in vreemde talen.


Ik zal een jaar of tien zijn geweest
toen ik Boerenpslam uit 1935
begon te lezen,
voor mij het meesterwerk
van Felix Timmermans
(Lier 1886 – Lier 1947).


Hoe vaak heb ik dat ondertussen herlezen?
Twintigmaal?
Dertigmaal?

Toch minstens de hoofdstukken die aan mij bleven plakken,
toen
en vandaag nog meer.



Op pagina 116
de blijvende droogte en hittegolf
en boer Wortels vrouw Fien die ziek is,
zwaar ziek.



“… maar heviger dan het spook van de nijdige droogte
hing in mijn geest het spook van ons Fien
en haar ziekte.

Ik begon te rillen als ik eraan dacht dat ze van mij zou kunnen weggaan
en mij
met die kinderen
alleen zou laten zitten.


-Als het begint te regenen, draag mij dan buiten in den vollen dres, Wortel, ik verzengel van binnen


Ik bad meer voor haar om regen, dan voor het veld.


En zoo kwam de oogsttijd.
Het stroo van ’t koren was hard en taai.

Ik stond er met een paar snotneuzen alleen voor.


Waar zijn nu de kinderen?

Ons Fien ziek,
onze Fons dood,
ons Anna non,
die woont ginder,
d’ander daar,
ons Irma met haren metser en haar vier kinderen, heeft ook haar handen vol.


Toch komt ze weer terug thuis,
nu haar moeder ziek is.
Dat een mensch begord op sterven moet liggen eer men een kind weer bij zich krijgt!
Er wordt over de bedsprei niet meer gesproken.


Onze Sus woont
met zijn groot huishouden
in Aarschot
en laat zeggen dat het heel erg is,
maar dat hij niet kan komen.


Onze Stan,
die negen jaar is,
laat ik thuis om op ons Fien te passen,
op ons blind Amelieken
en op de andere keuteljacht.

Onze Mon, een jongen van vijftien jaar, helpt mij…”



Op pagina 119
neemt het boeren-epos een dramatische wending.



“..Haal Frisine, zegt ons Fien.
“t Is een handige vrouw.
’t Is geen vreemde en ze zal nog met onze Fons trouwen als hij terugkomt.


Ik krijg een schok.
Bij die spookachtige hitte,
bij de zorg voor de dood van ons Fien,
nu nog de bekoring voegen van die heks.


Ik denk seffens op het geval van die kar
en is het nu de hitte of de jenever die me elken dag opzweept,
ik weet het niet,
maar mijn kop zit seffens vol begeerlijke visioenen.


-Laat ze weg, dit kraaienjonk, zeg ik.

-Waarom, vraagt ons Fien.
Ze zal hier alles weer in orde brengen.
Ge kunt niet gelooven wat pijn het mij doet zoo alles in wanorde te  zien.

-Ik zal wel iemand anders vinden.

-Wortel, neem Frisine, die kent het huis en onze trant.

-Ik zal zien..”



Op pagina 121
de inzet van de climax in het verhaal.



“..en al weet ik nu goed dat ik Frisine als helpster zal nemen,
toch ga ik in den Trommelaar vragen
of ze geen meisje kennen dat ons in ’t huishouden kan bijstaan.
Ze zullen eens zoeken.
Nu kan mij niemand iets verwijten.


Van daar ga ik naar Frisine,

Morgen komt ze al.


Ik kan van heel den nacht niet slapen.
Deuren en vensters staan open.

Ik wandel onrustig in den maneschijn,
in den hof,
door het huis,
door de stal.


De boomen ruischen in de wind,
de wind fluit als een geest rond de groenten
en men hoort het stof voortschuiven.


De volle maan maakt alles klaar en geheimzinnig.
Ze lacht,
ze lacht met onze moeite,
onze bekoring
en onze wanhoop.


Ik haat de volle maan,
dien duivelschen kattekop die ons Amelieken blind heeft gemaakt.
Ik ga gauw onder de schaduw van een boom staan om uit haren invloed te zijn.


Ik voel rond mij een vreemde macht,  die het op ons leven gemunt heeft.
Wat is het leven spookachtig en valsch! …”



Meer info


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

De boeken van Gust Verwerft

Al loopt de Waarheid nog zo snel, de Onzuiverheden in de media achterhalen haar wel

"Tempus omnia revelat"
"De tijd onthult alles"