Literatuur

LIT 44 – Stijn Streuvels (1941) – “… daarin wentelwiekten de kraaien als doodzonden zoo zwart…”

7 december 2017  


In ons verschrompeld onderwijs,
in ons kapot gereorganiseerd vak “Nederlands”,
dat ooit gewoon “moedertaal” heette,
hebben
afgestudeerde studenten humaniora
nooit gehoord van onze grootste Vlaamse schrijvers.

Hun leraars of leraressen evenmin.
Zo ver is het gekomen.

Begrijpend lezen is door de hervormingen totaal verloren gegaan.

De West_Vlaamse bakker Frank Lateur
schreef als Stijn Streuvels
prachtige literatuur,
waaruit de liefde voor de natuur opstijgt.

Als de vandaagse generatie een boek van hem zou openslaan,
ze zouden hem niet verstaan.

En ze zouden durven zeggen
dat het vol fouten staat en onbestaande woorden.
Nogmaals, zo ver is het gekomen.



Uit zijn meesterwerk De Vlasschaard geschreven in 1941.


Later werd er een ietwat onnodig opgefokte film over gemaakt.
De film en de filmsterren,
die kent men misschien wel.


(...)

De zware, grijze lucht bleef wegen over de wereld. 
Eendikte opgestapelde mist, 
van beneden 
tot in de opperste luchtlagen, 
drukte die last als een onverroerbare weedom, 
een treurnis zonder einde of uitzicht.
Dagen lang bleef alles dof en donker.
Dan kwam de wind, 
onverwachts losgelaten, 
en zweepte wolken regenstof, 
die rakelings over den grond schoren 
en de velden begispten en begeeselden.
Het vlakke land lag er afgebakend in zijn nauwen einder, 
overwaterd met mist, 
onnuttig,
zoppenat,
eenzaam, 
onmeedoogend aan de wreede elementen overgelaten, 
als eene woestenij in den aanvang van den jongsten dag.
Alzoo sleepte de verdrietige winter voort, 
zonder een krimmeltje klaarte, 
in wanhopige eentonigheid.
Het voorjaar was al ingezet aan ’t seizoen, 
maar alles bleef gesloten, 
toegedekt met duisternis van lange nachten 
en dagen daartusschen die geen dagen waren.
Hoe het te noemen, 
’t schemeren dat al onder uit de wolken zimperde,
doodgegaan door dikken smoor, 
de dofheid 
die zonder blos van morgen- of gloei van avondstond, 
een korte spanne tijds de nachten uiteescheidde 
en de wereld van de eene duisternis 
in de andere 
dompelde?
De lucht was vol nattigheid:
mist en waterstof, 
’t zweefde in slunsen 
en
drendels voor den wind weg 
en 
daarin draaiden 
en wentelwiekten de kraaien 
als doodzonden zoo zwart 
en 
ze schreeuwden de eenbaarlijke triestigheid 
in wilde kreten over ’t land.
Vermeulen stond dat te bezien door ’t venster.
 -Springtijd, spotte de boer ingrimmig,
’t gelijkt beter aan de donkere zes-weken!
Ene onbenamelijke verveling teisterde hem.
Hij draaide rond in doelloosheid, 
wrokkend tegen ’t almachtige element dat hij niet overmeesteren kon 
en 
hem in die groote, dompige keuken opgesloten hield, 
waar hij ronddoolde 
met de vuisten in de broekzakken, 
gelijk een noodsche winterbeer, 
van het venster naar naar ’t vuur 
en 
van ’t vuur naar de venster.
Elke dag bracht den boer een nieuwe ontgoocheling.
’s Morgens kwam hij met weerzin uit den warmen polk, 
moe van ’t liggen 
en kwaad omdat hij daar 
in de doezeling van den slaap, 
de komst van ’t open weer niet kon afwachten.

(...)

,


Meer info


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

De boeken van Gust Verwerft

Al loopt de Waarheid nog zo snel, de Onzuiverheden in de media achterhalen haar wel

"Tempus omnia revelat"
"De tijd onthult alles"