Literatuur

LIT 47 – Ernest Claes (1937) – “Ik zag Nolle Janes voorbijtrekken tusschen twee gendarmes”

17 december 2017  

Ik zal zowat 10 jaar geweest zijn toen ik het verhaal over Nolle Janes voor de eerste keer las, ergens achteraan een dik verzamelwerk van Ernest Claes.


Geregeld herlees ik het terug, gepakt door de eenvoud en diepmenselijkheid waarmee dit rauwe personage wordt beschreven en aangevoeld. Want inlevingsvermogen, dat was de sterkste troef van de geboren verteller Ernest Claes.


En ook omdat de procedure rond een moordproces toen angstwekkend simplistisch was.


Het verhaal situeren we rond 1900, richting Eerste Wereldoorlog.
De streek rond het Brabantse Zichem waar Ernest Claes als zoveelste arme boerenzoon werd geboren.

Ook authentiek personage Nolle Janes woonde daar,
als kind uit een arme, verwilderde familie van zandleurders.

Een slechte jeugd
met veel ondergaan geweld,
zoals helaas toen vaste regel.

Het fragment brengt ons bij het dieptepunt in het leven van Nolle Janes
Getrouwd van miserie met een helse vrouw Bet Savooi,
haar even primitieve moeder Melle Savooi erbij,
de duizendste ruzie
en het huisje dat ’s nachts begint te branden.
Het dorp hoort binnen de kreten van de dood.


"... ’s Anderendaags tegen de noen
 zag ik Nolle Janes voor ons huis voorbijtrekken
 tusschen twee gendarmes.

De handen waren hem op de rug gebonden,
en met de kin op de borst gezakt,
de oogen stijf naar den grond,
strompelde hij over den steenweg.

Ik hoorde vertellen dat de garde hem
’s nachts
had vinden zitten op den steenwegsrand,
half versuft,
en dat Nolle hem,
zonder dat de garde iets vroeg,
seffens gezegd had:
“Garde, ge moet ieverans anders nie zuke,
 ik hèm et kot in brand gestoke
 en doe me naa moar gauw noar et prison.”

De garde had de gendarmen verwittigd
en die waren Nolle nu komen halen.

Zonder een woord te spreken
had hij zijn handen laten binden
en volgde hij hen door het dorp.

Eenige weken later was het tribunaal,
en ik ging er ook naartoe.

Nolle werd daar voorgebracht tusschen twee gendarmen,
als een groote misdadiger,
en och arme,
hij zag er zoo ellendig uit,
zoo vervallen
en zoo mismoedig
dat het mij recht naar mijn hart ging.

We hoorden eerst dat Nolle
al vijf keeren veroordeeld geweest was,
vier keren voor het stroopen
en een keer om den garde een oorveeg gegeven te hebben.

Voor ons
die van het dorp waren
en onze garde kenden,
had dat absoluut geen belang,
maar
voor de heren van het gerecht
was het voorzeker een bewijs
dat ze met een gepatenteerden deugeniet te doen hadden.

De rechter vroeg hem alle soort van dingen,
maar Nolle antwoordde een enkelen zin:
“Meniêr de zuus, ik hèm et gedoan, en daar mee ut!”

Op al de andere vragen gaf hij geen antwoord.

Toch,
toen de rechter hem vroeg
of hij dan geen medelijden gehad had
met Melle Savooi,
die arme oude vrouw,
schuddekopte hij even beslist van neen,
en hij zei ook neen toen men hem vroeg of hij er geen spijt over had.

Het duurde niet lang,
daar kwamen enige menschen van ons dorp getuigen
dat ze het huis hadden zien branden
en dat ze verder van niets wisten,
de garde verklaarde nog eens dat hij Nolle daar in de steenwegsgracht aangetroffen had
en wat hij gezegd had.

Iedereen was overtuigd dat Nolle het gedaan had.

Bet Savooi was niet kunnen komen meekomen
omdat
juist daags tevoren
haar kindje was geboren.

Nolle kreeg voor lange jaren gevangenis.
Dan leidden de gendarmen hem weg.

En toen keek Nolle even op,
langs de menschen van zijn parochie
die daar waren komen luisteren en getuigen
en hij zag mij,
die vooraan stond,
vlak in de oogen.

Ik wist dat Nolle mij zocht…
En ineens las ik in die arme ogen van Nolle,
als een smeeking:
“Nest, gij weet toch wel wat er van de kwestie is, niet waar!”
En toen wist ik in mijn hart dat Nolle Janes onschuldig was.

(….)
Op de laatste pagina’s staat de schrijver,
jaren later,
in de gevangenis aan het sterfbed van Nolle.

“Nest, et es mee mij gedoan…
en ik zal et naa moar zeggen.
Ik hem et nie gedoan …
et was Bet die
in heur koleire
de brandende lamp in et schuurke gooide…”

Hij viel terug,
sloot de oogen
en ademde diep.

De bekentenis schokte mij geweldig,
al had ik min of meer zoo iets verwacht.

Nolle had dus al die jaren hier gezeten,
onschuldig,
en had gezwegen.

God weet waarvoor.
“Bet moest è kinneke krijgen…
en ik kost heur op zoê ’n moment toch nie noar ’t prison loate goan…
en loater hem ik gepaasd dat et zoê moar blijve moest.”

En toen begreep ik opeens dat grote levensoffer van Nolle Janes.
Om de moeder van zijn kind zat hij hier,
om het kind dat hij nooit gezien had
en nooit zou zien.

(…)
“En ik heb altijd gehoopt,
 zei hij ineens als voor zijn eigen,
 da Bet es zaa gekome zijn met et kinneke …
  moar ze heet et nie gedoan…”

Daar lag een verre trieste glans in zijn holle oogen.

“Zodde paaze, vroeg hij toen,
da mè menneke nog leeft?”

“Moar zeker, Nol joeng, woarveur zaa ’t niet miêr leve?”

“Wel .. as ge d’ém loater dan es moest tegenkome, Nest,
  dan meugde ’t oan hem wel stillekes zegge da’k onschuldig was…”

Nolle Janes is drie dagen later gestorven.

(…)

,


Meer info


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

De boeken van Gust Verwerft

Al loopt de Waarheid nog zo snel, de Onzuiverheden in de media achterhalen haar wel

"Tempus omnia revelat"
"De tijd onthult alles"