Gebeitelde Woorden, Justitie, Justitie

03/09/2017 – Mercuriale 2017-2018 – Wat procureur-generaal Patrick Vandenbruwaene wel en niet te zeggen had

10 september 2017  

ANTWERPEN, vrijdag 1 september 2017 


Traditiegetrouw zal ik (Patrick Vandenbruwaene, gv) als procureur-generaal bij uw hof straks de hervatting van de werkzaamheden vorderen in naam van de Koning.


Dit zal wellicht voor dit gerechtelijk jaar het belangrijkste zijn dat ik publiek zal doen in een zitting van uw hof, aangezien vandaag mij de taak wacht van voorzitter van het College van het openbaar ministerie en van het College van procureurs-generaal.


De voorbije jaren hebben een aantal langverwachte hervormingen gebracht, de uitwerking ervan vergt veel energie en capaciteit van het College van de hoven en rechtbanken en van het College van procureurs-generaal en het College van het openbaar ministerie.


Een aantal punten lijken verworven, maar het laat zich aanzien dat het volgende jaar even, of zo mogelijk nog intensiever zal worden in het zoeken naar de geschikte recepten.


De mercuriale van vandaag geeft mij de gelegenheid om even een blik vooruit te werpen en enkele persoonlijke bedenkingen te maken bij het komend voorzitterschap.


 

Vrouwen en Mannen van de beste kwaliteit

 


Als introductie citeer ik politierechter Mireille Schreurs in het artikel Villa Hellebosch die haar bezorgdheid uitte over bepaalde maatschappelijke evoluties die het vertrouwen in de rechtsstaat aantasten .


“Het gesprek gaat over Hongarije, Polen, Turkije. Schreurs is vooral ongerust over de uitholling van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Gelukkig geeft de Europese Commissie tegengas. De Europese Commissie is nog nooit zo nodig geweest als vandaag.” Einde citaat.


Nieuwsgierig als ik ben, ben ik op zoek gegaan naar de bronnen en standpunten van de Europese Commissie over Justitie en rechtspreken in de lidstaten.


Een van de meest recente publicaties betreft de “EU Justice Scoreboard” die jaarlijks sinds 2013 per lidstaat een aantal indicatoren op basis van cijfergegevens onder de loep houden.[1]


Deze indicatoren houden verband met de essentiële parameters die volgens de Europese Commissie de effectiviteit van het justitieel systeem dragen: met name de kwaliteit, de efficiëntie en de onafhankelijkheid.


 

De lectuur van deze rapporten leert mij twee zaken.

De quote in de Juristenkrant toegeschreven aan de FOD Justite : “België scoort nergens heel slecht, nergens bij de beste. Ons land is eerder een goede middenmoot.” is een voorbarige conclusie omdat bij gebrek aan volledige cijfers het voor ons land nagenoeg onbegonnen werk is de juiste data aan te leveren met betrekking tot de gewogen criteria.


Het is trouwens een weinig ambitieuze en onaanvaardbare conclusie.


Dit vereist dus een ernstige bijsturing van de gegevensinzameling over de werking van Justitie en een complete omwenteling inzake de inzameling, verwerking en analyse van alle beschikbare data binnen de gerechtelijke wereld.


Dit moet ertoe leiden dat correcte gegevens  beschikbaar zijn ten behoeve van alle verantwoordelijken binnen de rechterlijke orde, maar ook ten behoeve van internationale instellingen, de politieke overheden en de bevolking om de vereiste transparantie over de werking van hoven, rechtbanken en openbaar ministerie te verschaffen.


Ik ben dan ook hoopvol gestemd dat de beide colleges de voorbije maanden in samenwerking met professor Van Nieuwenhuyze een gezamenlijke visietekst hebben uitgewerkt over de zogenaamde business intelligence en analyse-omgeving die eerstdaags zal voorgelegd worden aan de Minister van Justitie.


De tweede zaak die ik opsteek, is dat de proactieve visie van het openbaar ministerie zoals vastgelegd in 2007 en 2008[2] nog steeds geldt wanneer het gaat over de basisprincipes die te maken hebben met kwaliteit, efficiëntie en onafhankelijkheid.


Zo heeft het openbaar ministerie steeds een dubbel spoor gevolgd ter verbetering van de kwaliteit door enerzijds een specifiek kwaliteitsmodel voor het openbaar ministerie[3][4]te hanteren in de organisatieontwikkeling en door de specialisatie van magistraten en medewerkers op te drijven, wat ook bijdraagt tot meer efficiëntie.


Op het vlak van de efficiëntie werd in het bijzonder aandacht besteed aan de doorlooptijden van de onderzoeken, aan een aangepast HR beleid en aan een brede BPM oefening ter stroomlijning van de processen.


Ook het nastreven van een uniforme registratie en de ontwikkeling  van de statistische analyse[5] moet een ondersteuning bieden van dit streven naar performantie en efficiëntie.


Gust Verwerft luister zéér aandachtig
maar hoort geen woord over het Hof van Assisen dat dus ook hier verraden wordt


Tot slot heeft het  bewaken van de grondwettelijke onafhankelijkspositie van het openbaar ministerie in de deelname van de rechterlijke functie en in de behandeling van individuele zaken geleid tot een visietekst in 2008[6] .


In deze visie werd de  verhouding tot de Minister van Justitie vertolkt gekoppeld aan de kwaliteitscriteria de zorg voor rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.


Bij uitbreiding kan nu gesteld worden dat deze verhouding in zekere mate geldt voor de bevoegde ministers van de deelstaten.


“Artikel 151 van de Grondwet, samen gelezen met de artikelen 143 bis en quater van het Gerechtelijk Wetboek geeft aan wat de Minister van Justitie moet kunnen verwachten van het openbaar ministerie in zijn interface functie tussen de gerechtelijke en de uitvoerende macht.


De visie van het openbaar ministerie is dat er invulling moet worden gegeven aan een fundamentele opbouw van de relatie tussen de staatsmachten, en die relatie is een duidelijke doorgedreven wisselwerking met enkele beperkingen die moeten zorgen voor een effectieve fundamentele bescherming van de rechten van de burger.


Het College van procureurs-generaal heeft als opdracht de Minister in te lichten en te adviseren, de raden van procureurs des Konings en arbeidsauditeurs doen hetzelfde ten aanzien van het College en het College  wordt ondersteund door de beleidsvoorbereidende expertisenetwerken.


De taak van het College stopt niet bij het adviseren van de Minister over de richtlijnen van strafrechtelijk beleid.


De richtlijnen zijn bindend voor het gehele openbaar ministerie en het College, de procureurs-generaal, de procureurs des Konings of arbeidsauditeurs staan in voor de tenuitvoerlegging of uitvoering van deze richtlijnen.


Dit betekent bijgevolg eveneens een engagement met het oog op de optimale organisatie van het openbaar ministerie zodat de uitvoering ook daadwerkelijk gebeurt en dat mechanismen van interne controle dit opvolgen en evalueren. Dit is dan ook evenzeer een vraag naar efficiëntie.


Artikel 151 van de Grondwet richt ook een essentiële wand op, namelijk dat het openbaar ministerie onafhankelijk is in de individuele opsporing en vervolging, onverminderd het recht van de bevoegde Minister om vervolging te bevelen.


Deze wand moet de fundamentele rechten van de burger waarborgen die daardoor zijn recht geconcretiseerd ziet op een individuele behandeling en bestudering van zijn zaak à charge en à décharge door niet-vooringenomen magistraten.


Hun objectiviteit en onpartijdigheid wordt dan juist gewaarborgd door de  beschermende wand ten aanzien van de politieke overheid.”

Ik kom hier later op terug.


De Gestelde Lichamen


Bij het uitspreken van deze mercuriale zou ik even willen stilstaan bij drie hervormingen die een rechtstreekse invloed hebben op  de werking van het openbaar ministerie en de bijzondere positie dat het inneemt in de rechtshandhaving in onze staat.


Het betreffen het strafrechtelijk beleid en de zesde staatshervorming, de hervorming van het strafprocesrecht en de opstap naar de beheersautonomie of verzelfstandiging van de rechterlijke orde.


Deze drie bewegingen zou ik willen aftoetsen met de parameters van de Europese Commissie : kwaliteit, efficiëntie en onafhankelijkheid.


Het zijn in feite ook deze principes die aan de basis liggen van de visieteksten van het Openbaar Ministerie van 2007/2008.


De eerste hervorming heeft zich voltrokken met de zesde staatshervorming op 6 januari 2014 inzake het strafrechtelijk beleid met onder meer de aanvulling van het artikel 151 van de Grondwet.


De deelstaten worden geassocieerd bij het uitwerken van richtlijnen inzake strafrechtelijk beleid, de vertegenwoordiging van de deelstaten in het College van procureurs-generaal wordt geformaliseerd en de deelstaten worden betrokken  in de veiligheidsplanning[7].


Voor het openbaar ministerie zijn de evoluerende staatstructuren met de verschillende beslissingsniveaus sinds een tiental jaar een permanent aandachtspunt omwille van de bijzondere positie die het openbaar ministerie inneemt als kraakbeen, als interface zoals Yves Liegeois [8]het noemde ten aanzien van de staatsmachten.


In de verschillende beleidsdocumenten en visieteksten is dit onderwerp reeds uitvoerig aan bod gekomen, het laatst in de strategische visietekst 2016-2021.[9]


Het zal voor het openbaar ministerie het volgende jaar een belangrijke uitdaging zijn om het samenwerkingsakkoord afgesloten in januari 2014 tussen de federale staat, de gemeenschappen en gewesten[10] zoals het de vorige jaren in werking werd gesteld, nog coherenter te maken door de deelstaten nauwer te betrekken bij hun materies.


En hierbij moet het juiste evenwicht gevonden worden tussen kwaliteit, efficiëntie en onafhankelijkheid van het openbaar ministerie.


De dubbele beweging in het tot stand komen van het strafrechtelijk beleid, top down en bottom up, zoals opgenomen in het samenwerkingsakkoord tussen de federale staat en de deelstaten, zal hierbij een leidraad zijn.


Het College van procureurs-generaal zal aldus ook ten aanzien van de deelstaten[11] zijn adviserende rol in het strafrechtelijk beleid moeten opnemen en zal er moeten voor zorgen dat er een gedifferentieerd beleid mogelijk wordt.


Dat beleid zal evenwel moeten beantwoorden aan de kwaliteitsvereisten van rechtszekerheid en het grondwettelijk principe van rechtsgelijkheid.


Het college zal dus als kraakbeen over de verschillende gemeenschappen en gewesten heen als federale instelling de delicate oefening moeten voeren opdat de uitvoering van het deelstatelijk strafrechtelijk beleid door de verschillende parketten en auditoraten van ons land op een coherente, gecoördineerde en kwaliteitsvolle wijze gebeurt.


Hierbij moeten te grote divergenties vermeden worden.


 


Het is in deze zienswijze dat de Minister-President van de Vlaamse Regering het College én de Minister van Justitie op 3 juli 2017 aangeschreven heeft met de vraag om advies.


Bij zijn brief voegde de Minister-President de voorlopige lijst van strafrechtelijke prioriteiten die de Vlaamse Regering op 30 juni 2017 vaststelde, en die nu moeten omgezet worden naar algemeen bindende richtlijnen voor het openbaar ministerie.


In de confederale logica, is het logisch dat de Minister van Justitie als politiek verantwoordelijke voor de goede werking van Justitie mee aangeschreven wordt aangezien het daadwerkelijk uitvoeren van een strafrechtelijk beleid uiteraard consequenties zal hebben op de organisatie van het openbaar ministerie en de middelen die hem worden toebedeeld.


Dit zal dus een delicate oefening worden ook op het vlak van de staatshuishoudkunde.


Er zal goed moeten worden nagedacht om de juiste financiering en toebedeling van de middelen te realiseren opdat het openbaar ministerie met de nodige efficiëntie en kwaliteit het strafrechtelijk beleid zou kunnen omzetten in de individuele handhaving.


Bij de huidige schaarste van middelen en de opgelegde besparingen is dit een onderwerp dat het volgende jaar zeker op tafel zal worden gelegd.


Het samenwerkingsakkoord voorziet ook in de samenwerking met de expertisenetwerken die de beleidsvoorbereidende organen zijn van het College van procureurs-generaal en waar de dagelijks ontmoete problemen opgepikt kunnen worden door de experten van het openbaar ministerie en de experten en ambtenaren van de politie, inspectiediensten en administraties.


Het volgend voorzitterschap zal ook als taak hebben invulling te geven aan artikel 16 van het samenwerkingsakkoord van 7 januari 2014 dat bepaalt dat de gemeenschappelijke steundienst van het openbaar ministerie ondersteuning zal bieden aan zowel het federaal als het deelstatelijk strafrechtelijk beleid.


Ik heb dan ook de directeur van de steundienst verzocht de nodige maatregelen te nemen opdat ten spoedigste een begin van een overlegplatform zou worden gecreëerd met het oprichten van enkele centrale invalspunten voor de deelstaten.


Ik verheel u evenwel niet dat het geen sinecure zal zijn binnen deze onderbezette dienst die een veelheid van taken op het vlak van het beleid als het beheer op zich moet nemen.


Wellicht zal ook hier een doorgedreven dialoog tussen colleges en de politieke overheden van alle niveaus moeten gevoerd worden.


Bij het afronden van de bespreking van deze eerste hervorming met implicaties voor het openbaar ministerie, zou ik nog het delicaat punt van het positief injunctierecht voorzien in artikel 364 van het Wetboek van Strafvordering willen belichten.


Het gewijzigde artikel 151 van de Grondwet heeft dit recht om vervolgingen te bevelen toegewezen aan de Minister van Justitie en in de aangelegenheden die tot de gemeenschappen en gewesten behoren, de deelstatelijk bevoegde Minister.


Artikel 11 van de BWHI specifieert dan ook nog de te volgen procedure van deelstatelijke Minister naar de Minister van Justitie toe.



Deze procedure uit de doeken doen, zou mij echter vandaag te ver afleiden van mijn onderwerp.


De paragraaf waarin het positief injunctierecht van de deelstaten wordt behandeld in het grondwetsartikel, gaat onmiddellijk vooraf aan de bevoegdheidsregeling inzake het strafrechtelijk beleid, waardoor de indruk zou kunnen ontstaan dat het injunctierecht een rechtstreeks correlarium zou zijn van het strafrechtelijk beleid, wat het duidelijk niet is.


Een dergelijke lezing zou immers de vraag stellen naar de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van de positieve injunctie.


Artikel 151 van de Grondwet huldigt een sleutelbeginsel dat fundamenteel is in de werking van onze rechtsstaat.


Het verzoent enerzijds het streven naar een strafrechtelijk beleid met politieke verantwoordelijkheden voor de uitvoerende macht, met anderzijds de noodzakelijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het gerecht  in al zijn aspecten.


Het maakt dat het openbaar ministerie zijn fundamentele opdracht kan vervullen van interface tussen uitvoerende en rechterlijk macht, en in individuele dossiers onafhankelijk en onpartijdig optreedt in het belang van de individuele burger  met een afweging à charge en à décharge.


Persoonlijk denk ik, samen met mijn voorganger, dat de positieve injunctie een begrip is waarvan de draagwijdte overschat wordt en dat het een recht is dat in de realiteit haast onbestaande is omwille van de terughoudendheid die de Ministers van Justitie hebben vertoond bij de toepassing van dit recht.


Een terechte voorzichtigheid om twee redenen.

De positieve injunctie in een individuele zaak dreigt onmiddellijk in aanvaring te komen met de grondwettelijk gegarandeerde onafhankelijke behandeling van de zaak en het recht van de parketmagistraat om mondeling voor de rechter vrij zijn mening te vertolken.


Ik zou graag bespaard blijven van het idee dat de terechtzitting het schouwspel wordt waarbij staande magistraten divergente vorderingen nemen ten aanzien van het (schriftelijk) ministerieel vervolgingsbevel van leden van de uitvoerende macht, en van het beeld van Justitie dat hierdoor zou ontstaan.


De positieve injunctie aanwenden om bepaalde misdrijven systematisch te vervolgen is evenmin te overwegen.


Sowieso moet ieder dossier individueel bekeken worden en kan het opportuniteitsoordeel van het openbaar ministerie immers niet beknot worden noch de individuele beoordeling van bewijs en schuldvraag buiten spel gezet worden.


Trouwens gelden ook hier de principes van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid  en zouden deze bevolen vervolgingen bovendien een strafrechtelijk beleid waar bijvoorbeeld voorrang wordt gegeven aan alternatieve afhandelingen, doorkruisen.


Tot slot is er ook een belangrijke overweging over de efficiëntie van de vervolgingen en de capaciteit van de rechtbanken en hoven, die om het eufemistisch uit te drukken, niet onbeperkt is.


De hypotheek die systematische vervolgingen zouden leggen op de werking van de zetel is dan ook nauwelijks in te schatten.


Er bestaat mijns inziens trouwens een eensgezindheid, in de rechtsleer én in de politiek, om het positief injunctierecht als uitzonderlijk te beschouwen.


De positieve injunctie, die ook bestaat in hoofde van de procureur-generaal is dan ook eerder een middel om bij te sturen wanneer een zaak werkelijk dreigt mis te lopen door het stilzitten van het parket.


sfeer


Het volgend onderwerp sluit naadloos aan bij het vorige.

Het strafprocesrecht schrijft immers de procedureregels voor die gevolgd dienen te worden bij de behandeling van individuele dossiers en bepaalt de garanties die de burger heeft ten aanzien van de overheid in de opsporing, vervolging en beoordeling.


Ingevolge het rapport van de RUG onder leiding van professoren Traest en Vermeulen[12] en de werkzaamheden van de expertenwerkgroep aangesteld door de huidige Minister van Justitie, wordt vandaag openlijk de vraag gesteld naar het nut van de opdeling van het vooronderzoek in een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek onder leiding van een onderzoeksrechter.


Dit debat geeft een persoonlijke aanleiding om de hervorming af te toetsen aan de criteria van de Europese Commissie : kwaliteit, efficiëntie en onafhankelijkheid.


De vraag of het openbaar ministerie voldoende neutraal, lees onpartijdig en onafhankelijk is om als leider van het vooronderzoek op te treden, dient positief beantwoord te worden om de redenen uiteengezet omtrent de lezing van artikel 151 van de Grondwet[13].


De wettelijke verankering voor het openbaar ministerie van het principe om een onderzoek à charge én à décharge te voeren zoals bepaald voor de onderzoeksrechter in artikel 56 van het Wetboek van Strafvordering, kan alleen maar een bevestiging zijn van wat het openbaar ministerie zelf in zijn visietekst als determinerend heeft opgegeven.


Zelfs al bekleedt het openbaar ministerie een bijzondere positie in ons staatsbestel, meen ik te hebben aangetoond dat de hoogste nationale rechtsnorm, de grondwet, de nodige wand heeft ingebouwd tussen de opdrachten die gericht zijn op de uitvoerende macht in het kader van het vastleggen van het strafrechtelijk beleid enerzijds, en anderzijds, het optreden als overheidsorgaan in de individuele opsporingen en vervolgingen die leiden tot het verzamelen van het bewijsmateriaal om tot de waarheidsvinding te komen.


De argumenten om te beweren dat deze onafhankelijkheid minder sterk is dan deze van de onderzoeksrechter lijken dus steeds minder te overtuigen.


Het argument dat het algemeen beleid van het openbaar ministerie vastgelegd wordt in het strafrechtelijk beleid waarvoor de Minister van Justitie en nu bij uitbreiding de bevoegde deelstaatministers politieke verantwoordelijkheid dragen, kan  mooi chirurgisch afgelijnd worden ten aanzien van de individuele dossiers waar het openbaar ministerie geniet van een volledige onafhankelijkheid.


Ook de positieve injunctie lijkt een minder te duchten wapen te zijn binnen de contouren die geschetst werden, te meer algemeen erkend wordt dat het negatief injunctierecht uitgesloten is, zowel voor de leden van de uitvoerende macht als voor de interne hiërarchie.


Tot slot plaats ik een kanttekening bij het argument dat het openbaar ministerie een strikt hiërarchisch georganiseerd korps is waarbij de individuele parketmagistraat gebonden is aan instructies van zijn overste, uitgezonderd wanneer hij vordert ter terechtzitting.


Samen met de bedenking over de negatieve injunctie, kan ik u gerust meegeven dat ik na een parketervaring van ongeveer 32 jaar, nog nooit enige druk van welke hiërarchie ook heb ondervonden.


Wanneer de interne hiërarchie van zich laat horen, is dit een helpende hand  om, in een sfeer van teamgeest, te zorgen voor de beste oplossingen ter vrijwaring van het algemeen belang.


Overigens lijkt het in een modern aangestuurde organisatie als het parket, ondenkbaar dat magistraten en medewerkers zouden werken als kleine eilandjes, met ieder zijn eigen persoonlijke visie op zijn functioneren en de invulling ervan.


Ik besluit dus dat onze verantwoordelijkheid in de rechtshandhaving en in het garanderen van het recht op veiligheid voor iedere burger dus steeds in evenwicht gehouden wordt door de onafhankelijkheid zoals verwoord in dat mooie artikel 151 van de grondwet.


De wetgever zal eventueel oordelen over de aanvulling in het nieuw Wetboek van Strafvordering met de wettelijke verplichting tot onpartijdigheid, tot onderzoek à charge en à décharge.


De complexiteit van de huidige wereld en dus ook van de criminaliteit vereist een goedwerkende organisatie met een duidelijk gedragen en gedeelde visie op onze basiswaarden, waartoe ook kwaliteit en efficiëntie behoren.


De bewaking van deze waarden is, zonder in polemiek te willen gaan, minstens even sterk aanwezig binnen onze organisatie als binnen het gerechtelijk onderzoek en is essentieel om resultaten op het vlak van de handhaving en de veiligheid te kunnen voorleggen.


Bij het uittekenen van de verhoudingen tussen openbaar ministerie en de nieuwe rechter van het onderzoek zal dan ook met deze criteria van efficiëntie, kwaliteit en onafhankelijkheid moeten rekening gehouden worden om de juiste verhouding  tussen beiden te installeren en de wetgevende slinger in het juiste midden te laten landen.


 

 

Hof van Assisen: De pro en de contra


Ik (Patrick Vandenbruaene, gv) ga uw geduld niet te lang op de proef stellen en ga nu over naar mijn laatste punt : het verzelfstandigd beheer.


De autonomie is het sluitstuk van mijn persoonlijke beschouwingen rond de uitdagingen voor een betere Justitie en kan mijns inziens niet losgekoppeld worden van wat ik ontwikkeld heb in verband met de vorige twee hervormingen.


Met andere woorden de vraag van de rechterlijke orde naar een verzelfstandigd beheer is geen doel op zich maar is gebed in een visie gericht op efficiëntie, kwaliteit en onafhankelijkheid zoals de Europese Commissie het vraagt. Ik ga mij dan ook beperken tot deze aspecten.


De fundamentele vraag stelt zich naar het invullen van gerechtvaardigde behoeftes die de drie principes moeten realiseren.


Het organiseren van deze autonomie vereist, wat het openbaar ministerie betreft, dezelfde bewegingen bottom up – top down zoals bij het strafrechtelijk beleid.


Enkel op deze manier kunnen de informatiestromen rond de reële behoeften van het terrein georganiseerd worden en opgetrokken naar de colleges met het oog op de onderhandelingen met de Minister en het parlement.


Dit zou pas een omwenteling betekenen in het top down alloceren van middelen en in de verdeling van personele middelen aan de hand van  de wettelijke kaders. Persoonlijk lijken mij beide sporen op termijn te verlaten.


Dit betekent dat de directiecomités van iedere entiteit van het openbaar ministerie in staat moeten zijn op een gefundeerde wijze, waarvan de methode dezelfde is voor iedereen, zijn behoeften kenbaar te maken aan daaropvolgende verantwoordelijke echelons,  het ressortelijk niveau voor het openbaar ministerie en vervolgens het niveau van de colleges (zetel en openbaar ministerie).


Ik heb reeds bij het strafrechtelijk beleid aangegeven dat de concrete uitvoering van het beleid een efficiënte organisatie vereist, waarvoor de beleids- en beheersorganen verantwoordelijk zullen zijn.


Het openbaar ministerie wenst bij deze oefening uitdrukkelijk gebruik te maken van het kwaliteitsmodel voor het openbaar ministerie zodat de vraag naar efficiëntie in coherentie kan gebracht worden de intrinsieke kwaliteit van de dagelijkse werking.


Vorig jaar zijn een aantal bouwstenen gelegd met het College van de hoven en rechtbanken, samen met de Minister van Justitie, zijn beleidscel en de FOD Justitie, maar het werk is zeker nog niet af!


Het zal echter een uiterst moeilijke oefening zijn om binnen het huidig besparingsbeleid de juiste financiering te vinden om te zorgen dat de dienstverlening van het openbaar ministerie effectief kwaliteitsvol en efficiënt verloopt en de opsporingen en vervolgingen onpartijdig kunnen gebeuren.


In ieder geval worden de lineaire besparings-inspanningen voelbaar binnen het ressort.


Uit de gegevens over de bezettingsgraad blijken sommige entiteiten het zwaarst getroffen door de personeelsbesparingen, en wat verhoopt werd een tijdelijke inspanning te zijn, lijkt  structureel  te worden vermits bijvoorbeeld de grens van 90 % van het kader van de magistraten voor het parket van Antwerpen steevast niet gehaald wordt.


Ook dit punt zal dus een doorgedreven dialoog vergen met de politieke verantwoordelijken opdat de effectiviteitsparameters van de Europese Commissie niet al te zwaar onder druk zouden komen te staan.

Men zegge het voort.

1 september 2017


 

[1] THE 2017 EU JUSTICE SCOREBOARD, European Commission , april 2017

[2] Het Beleidsplan van het Openbaar Ministerie, juni 2007, Krachtlijnen voor een strategisch plan voor de modernisering van het Openbaar Ministerie.

[3] Een instrument voor het verbeteren van de kwaliteit binnen het Openbaar Ministerie, G.Bouckaert, R.Depré, A.Drumaux, DSB,Maklu,januari 2006

[4] Managementconcepten voor een kwaliteitsvol Openbaar Ministerie, R. Depré, C.Vervaet,A.Hondeghem,G.Bouckaert,DSB,Politeia, 2009

[5] http://www.om-mp.be/stat/

[6] Krachtlijnen voor een strategisch plan, o.c.

[7] Kadernota integrale veiligheid 2016 en Nationaal veiligheid plan 2016

[8] Y.Liegeois in “De zesde staatshervorming: instellingen, bevoegdheden en middelen, J.Velaers ea, Intersentia, 2014, p 315 ev

[9] Een performant Openbaar Ministerie voortdurend in beweging, Strategische visietekst 2016-2021

[10] Samenwerkingsakkoord tussen de federale staat, de gemeenschappen en de gewesten betreffende het strafrechtelijk beleid en het veiligheidsbeleid dd 7 januari 2014

[11] Alhoewel (nog ) niet opgenomen in artikel 143 bis §3 en artikel 143 quater van het gerechtelijk wetboek

[12] Een praktijkgericht onderzoek naar de knelpunten in de huidige Belgische strafprocedure met het oog op het schrijven van een nieuwe strafprocedure, DSB, prof. dr. Ph.Traest en prof.dr.G.Vermeulen

[13] Gids voor de Magistraten, Principes, waarden en kwaliteiten, Hoge Raad voor de Justitie, Adviesraad voor de Magistratuur 2012, deel I, p1 en 2


 

,


Meer info


Reageren niet meer mogelijk.

De boeken van Gust Verwerft

Al loopt de Waarheid nog zo snel, de Onzuiverheden in de media achterhalen haar wel

"Tempus omnia revelat"
"De tijd onthult alles"